We waren nog niet echt vrienden, maar moesten dat wel gaan worden. We spraken af op het terras van een restaurant dat alleen maar vegetarische gerechten serveert. Wel waren bij elk van die gerechten gruwelijke hoeveelheden boter betrokken. Behalve bij de kaasplank dan, maar goed, dat is dan weer kaas. Het was een warme avond en een drukkende hemel hing dreigend boven ons.
Onder de overkapping was geen plaats meer en we gingen zitten aan een tafeltje aan de straatkant. Beiden droegen we korte broeken. Hij had ook nog een BioStabil 2000 om zijn nek hangen. We bestelden bier en daarna asperges met lamsoor en botersaus, terrine van prei met gepekelde eidooier, toast met gepofte knoflook en geklopte boter en in boter gebakken tortilla. Het eten werd gebracht door een meisje dat me deed denken aan een klasgenootje van de middelbare school waar ik hopeloos verliefd op was.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Ik voelde een enkele regendruppel op mijn schouder. Hij vertelde over een droom die hij had gehad, waarbij hij het leven van een schaapje had gered en daarna een boerderij was begonnen. We probeerden de droom te duiden, maar ik kwam niet veel verder dan dat het waarschijnlijk een droom was over een schaapje dat hij had gered en een boerderij die hij daarna was begonnen.
Na de kaasplank – die zalig was, maar hoeveel zuivel kan een mens hebben – liep ik naar binnen om een likeurtje te bestellen. Ik had ooit ergens gelezen dat anijs goed voor de spijsvertering is en vroeg om een sambucca. Het meisje dat ons het eten had gebracht stond nu achter de bar. Sambucca had ze niet, zei ze, wel iets dat op limoncello leek, maar minder zoet. Klinkt heerlijk, zei ik, doe maar. Als ze me een glas wondvocht had aangeraden, had ik precies hetzelfde gezegd.
Nadat we hadden afgerekend, omhelsden we elkaar. Volgens mij was de vriendschap beklonken. De avond was al ver gevorderd, maar het was nog altijd licht en warm. Het heldere groen van de bomen stond scherp afgetekend tegen de vaalblauwe hemel. Ik had net genoeg gedronken om tot diep in de nacht buiten te willen zitten, maar net te weinig om het daadwerkelijk te doen. Morgen weer vroeg op, dat soort dingen. De regen wilde maar niet vallen en de lucht trilde van spanning en hunkering.
Ik stapte op de fiets. Overal zaten mensen buiten, de stad gonsde. Tientallen van dit soort avonden had ik meegemaakt in deze stad en dit was dan een van de laatste. Misschien wel de laatste. Er stak een licht briesje op en ik fietste langs een café waarvan het terras vol stond met mensen. Ze dronken, rookten en lachten. Het was zo’n avond waarop je herinneringen maakt. Of naar ze terugverlangt.
Source: Volkskrant