Oud worden heeft ook voordelen: je kinderen groeien op, en je kunt weer gaan en staan waar je wilt. Wannéér je wilt ook, want de kinderen passen op het huis. (‘Niet vergeten de kattenbak te verschonen hè, jongens?’ ‘Ga eens opzij mama, we moeten erlangs met het bier’.)
Het was maar een uurtje rijden naar het schattige huisje op de Veluwe, waar de tijd gestold was in de jaren vijftig. Gewolkte emaillen pannetjes, houtkachel en wollen dekens, geen wifi, tv of douche, en in de boekenkast werkjes als Onze vlinders en Meesters der negervertelkunst. ‘Zeker, een charmant huisje’, zeurde een Marjolijn genaamde trut in het gastenboek , ‘maar wij misten wel comfortabel terrasmeubilair, en mooie wijnglazen.’
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Wij niet, hoor. Rondom het huisje tsjirpten de vogeltjes en stoeiden de eekhoorntjes onder het zondoorstoofde lommer; een perfecte omgeving voor twee jongbejaarden op een weekendje weg met onbeperkt 5g op hun telefoons en volop spijs en drank onder handbereik.
Zo werd het ongehinderd zondag. ‘Laten we koffie gaan drinken in Putten’, stelde ik voor. Hè ja! Tip: probeer geen koffie te gaan drinken in Putten op zondag, want dan is daar alles dicht, behalve de kerk. Die ging juist uit, en wij zagen de vrome gemeenschap vrolijk pratend op glimmende rijwielen stappen, de mannen met nat gekamd haar, de vrouwen in beschaafd opwaaiende zomerjurken, blakende kindertjes met bijbels onder de snelbinders (ik verzin dit niet).
Voor de leegstromende kerk bekeken de Puttenaren ons nieuwsgierig en knoopten een praatje aan. Of we ‘te gast’ waren in Putten? Jazeker! Ik waande me in een Bert Haanstra-film, maar huisgenoot P, wiens journalistenbloed nog steeds kruipt waar het niet gaan kan, begon een stel van onze leeftijd uit te horen, joviale luitjes, voorzien van een ijzersterke glimlach.
In Putten kun je niet verkommeren, zo bleek algauw. Ben je ziek, oud, net bevallen, pas weduwe geworden, dan komen je geloofsgenoten net zo lang ovenschotels bij je langs brengen tot je weer op de been bent, of dood. Mooi, zeg... Of we zelf nog ‘met een geloofsrichting verbonden waren?’, wilde het stel hoopvol weten. Hun glimlach bleef, ook na ons antwoord, fier overeind.
Prachtig, toch, zo’n hechte gemeenschap, mijmerden we in de auto. Louter saamhorigheid. Geen eenzaamheid of gebrek. Nee, dan dat decadente Amsterdam.
In Garderen, het dorp even verderop, waren de café’s wél open. Geen zondagsrust. Koffie! Met appeltaart, alsof het niet op kon!
Wij gaan naar de hel, besefte ik bij de tweede slok. Maar de rest van Garderen ook. Dát is pas saamhorigheid.
Source: Volkskrant