Home

Hoe help je naar het buitenland gevluchte toeslagenouders?

Het water is al maanden afgesloten in het huis op Curaçao waar Zurina de Windt (42) woont met haar zes kinderen – de jongste is nog geen 3 jaar oud. Er is een betalingsachterstand, die administratief ook nog ingewikkeld ligt omdat de aansluiting op naam staat van haar ex. De Windt vluchtte in 2016 uit Nederland weg vanwege problemen met de Belastingdienst, vertelt ze. Haar opleiding in de ouderenzorg brak ze af. Inmiddels heeft ze als erkend gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire 30 duizend euro ontvangen van de Nederlandse overheid. Maar het lukt haar niet eigenstandig om haar leven op orde te krijgen.

De Windt is een van de naar schatting negenhonderd erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire die in het buitenland wonen. Zeker zeventig van hen leven op Curaçao. Onder hen zijn veel alleenstaande moeders met kinderen die zijn gevlucht voor schuldeisers of voor de jeugdbescherming. Voor hen is vorig jaar een speciaal Ondersteuningsteam Buitenland opgetuigd. Dat moet deze ouders in dertig verschillende landen helpen met bijvoorbeeld schulden of gezondheidsproblemen en bij het vinden van huisvesting, werk of een nieuwe opleiding. In Nederland kunnen toeslagenouders daarvoor bij hun gemeente aankloppen. Ook helpt het team ouders met terugkeren naar Nederland, als ze dat willen.

Over de auteur
Charlotte Huisman is verslaggever van de Volkskrant en schrijft onder meer over jeugdzorg en de nasleep van de toeslagenaffaire

Tot nog toe stond deze groep ouders nauwelijks in de schijnwerpers. Vaak zijn hun omstandigheden nog schrijnender dan die van toeslagengedupeerden in Nederland. Het lukt hen vaak niet om hun leven weer op de rit te krijgen, zien de 35 casemanagers van het Ondersteuningsteam Buitenland. Het laat zien hoe verstrekkend de gevolgen van de toeslagenaffaire zijn. En wat het voor ouders betekent dat de afhandeling van het herstel van de inmiddels 30 duizend erkende gedupeerden zo traag verloopt – een operatie waarvoor 7,1 miljard euro beschikbaar is.

Toen De Windt op Curaçao hoorde dat er een ondersteuningsteam was voor toeslagenouders zoals zij, ging ze er meteen naartoe. ‘Ik heb er mijn grootste problemen op tafel gelegd’, vertelt ze aan de telefoon. Haar auto is kapot – zonder kan ze haar kinderen niet naar school brengen. Ook zegt ze geen geld te hebben voor de op Curaçao verplichte schooluniformen. Haar jongste dochter heeft een oogafwijking die volgens haar het best behandeld kon worden in Nederland.

Ze vindt dat ze recht heeft op hulp: ‘Dat ik in een moeilijke situatie op Curaçao zit, is het gevolg van fouten van de Belastingdienst. Maar ze vonden dat ik te veel van ze verwachtte.’

Het ondersteuningsteam is er, zoals de naam al zegt, voor aanvullende ondersteuning. Voor het afwikkelen van de financiële schade door de toeslagenaffaire moeten toeslagenouders bij de voor hen opgezette herstelorganisatie van de rijksoverheid zijn. Maar daarvoor zijn jarenlange wachttijden.

‘Ze helpen ons gewoon niet, ik krijg er hoofdpijn van’, foetert De Windt. ‘Het beschikbare geld lijkt meer te gaan naar de organisatiekosten dan naar de gezinnen zoals het mijne.’

‘De meeste ouders zijn tevreden met de ondersteuning die wij bieden’, zegt projectleider Caroline Lindner van het Ondersteuningsteam Buitenland. Zij is van Radar, het adviesbureau dat deze taak uitvoert in opdracht van de overheid. Met twee casemanagers spreekt ze in hun Amsterdamse kantoor over de ervaringen. In een enquête kreeg hun team van de ondersteunde toeslagenouders in het buitenland gemiddeld een ruime zeven, ‘maar sommige ouders gaven tienen en een enkele ook een één’.

‘Wij zijn eigenlijk de gemeente voor deze ouders in het buitenland’, legt Lindner uit. Maar net zoals de gemeenten, ondervindt dit ondersteuningsteam waar zijn beperking ligt. Namelijk: je kunt toeslagenouders moeilijk écht helpen om hun situatie te verbeteren zolang ze nog wachten op hun herstelgeld van de rijksoverheid. Pas daarna kunnen ze het achter zich laten, merken de casemanagers en de gemeenten. Zij kunnen bijvoorbeeld wel de ouder ondersteunen bij een nieuwe opleiding of een baan, maar als die geen geld heeft voor het vervoer erheen, dan wordt het lastig.

Maar op de afwikkeling van hun individuele schade moeten ook veel gedupeerde ouders in het buitenland nog jaren wachten, terwijl hun problemen in de tussentijd vaak alleen maar groter zullen worden. Het ondersteuningsteam kan bovendien niet onbeperkt hulp verstrekken aan deze ouders: bij grotere aanvragen moet het toestemming vragen van het ministerie. Het gebeurt een enkele keer, vertelt Lindner, dat ouders met een lange wensenlijst aankomen, van bijvoorbeeld laptops, elektrische fietsen en een wasmachine. ‘Eigenlijk overvraag je nooit als je dit is aangedaan’, beklemtoont Lindner. ‘Meestal vragen ouders om zaken die hun kinderen goed doen.’

In het jaar dat het nu actief is, hebben zo’n 528 toeslagenouders zich bij het Ondersteuningsteam Buitenland gemeld. Bijna de helft van hen woont in België, sommigen maar een paar kilometer over de grens. Anderen wonen in bijvoorbeeld Duitsland, Groot-Brittannië, Suriname of Turkije.

Met beeldbellen houden het team vanuit Amsterdam contact met de ouders – alleen op Curaçao, Aruba en Sint-Maarten zitten casemanagers die de gedupeerden fysiek zien. Zij regelen bijvoorbeeld een (online-)psycholoog voor gedupeerden die in het buitenland geen toegang hebben tot zulke zorg. Ook helpen zij bij het opstellen van een cv, het verstrekken van geld voor een tandartsbezoek of de aanvraag van een paspoort.

‘Veel ouders zijn al heel blij dat ze bij iemand hun verhaal kwijtkunnen’, zegt Sandra, een van de vijf casemanagers van het buitenlandteam die zelf gedupeerd zijn door de toeslagenaffaire. Vanwege haar omstandigheden wil ze niet met haar achternaam in de krant. Na enkele moeilijke jaren in het buitenland kwam ze eind 2021 terug in Nederland met haar gezin. ‘Door mijn eigen ervaringen begrijp ik de problemen beter van de ouders die ik nu ondersteun.’

Sandra en haar collega’s schrikken soms van de verhalen die ze horen. ‘Als toeslagenouders van de Nederlandse overheid 30 duizend euro ontvangen voor hun herstel na de eerste lichte toets, beschouwt bijvoorbeeld de Belgische overheid dat als inkomen waarover belasting moet worden betaald’, vertelt Lindner. Daarom zijn vertegenwoordigers van dit buitenlandteam en het ministerie vorige maand naar België geweest om de instanties daar uitleg te geven over de toeslagenaffaire.

Sandra vertelt over zo’n naar België uitgeweken toeslagenmoeder met vier kinderen – de jongste 1,5 jaar, de oudste 13 jaar oud – die ze heeft bijgestaan. Die woonde daar in een lekkende woning, waar de elektriciteitsdraden laag hingen. De situatie was zo gevaarlijk dat een wooninspecteur begin dit jaar het onderkomen onbewoonbaar verklaarde. Het gezin stond op straat.

‘Wij hebben het gezin toen eerst ergens tijdelijk ondergebracht, leefgeld voor de moeder geregeld en een school voor de kinderen gezocht.’ Mede door Sandra's bemiddeling kreeg het gezin een woning in Nederland.

Zo zijn inmiddels 35 toeslagenouders met hulp van het ondersteuningsteam teruggekeerd uit het buitenland, voor zo’n zeventig andere gezinnen zijn de casemanagers bezig de terugkeer voor te bereiden. Ongeveer de helft van de in het buitenland wonende ouders die ze ondersteunen, wil terug naar Nederland. ‘Vaak omdat het de wens van de kinderen is’, zegt Lindner.

Knelpunt is het regelen van woningen voor de terugkeerders. Een urgentieverklaring krijgen ze meestal niet. Wel tellen steeds meer woningcorporaties de tijd dat deze ouders vóór hun emigratie in een corporatiewoning hebben gewoond, als inschrijftijd.

Sommige terugkerende toeslagenouders vinden dat zij recht hebben op voorrang, omdat ze destijds vaak noodgedwongen hun sociale huurwoning hebben opgegeven. Maar met de schaarste aan woningen willen gemeenten de urgentieregelingen niet verder uitbreiden.

Katy Zinhagel (44) is zo’n toeslagenouder die met hulp van het ondersteuningsteam is teruggekeerd naar Nederland. De van oorsprong Dominicaanse woonde met haar drie kinderen eerst weer in haar geboorteland, toen op Curaçao en vervolgens zeven jaar in België. Na die omzwerving van tien jaar betrok ze begin 2023 een woning in Rotterdam. ‘Ik ben mijn casemanager heel dankbaar voor de hulp met het vinden van dit huis en met de verhuizing’, zegt ze. Nu gaat ze beginnen als teamleider in een fastfoodrestaurant. ‘Ik hoop dat ik een nieuwe start kan maken.’ Al merkt ze dat haar trauma haar soms in de weg zit. ‘Ik heb zo veel geleden.’

De bedoeling is dat de ouder pas terugkeert naar Nederland als die samen met de casemanager bijvoorbeeld de huisvesting, school, huisarts en de verzekering heeft geregeld. Maar sommigen willen dat niet afwachten. Zo’n acht ouders zijn op stel en sprong met hun kinderen teruggekeerd, zonder dat er iets voor ze was. ‘Dan bellen ze het ondersteuningsteam opeens op dat ze al in Nederland zijn’, vertelt Sandra.

Dat ouders soms zomaar op het vliegtuig naar Nederland stappen komt door de vaak hopeloze en armoedige situatie waarin ze verkeren in het buitenland, zegt Erica Wever (50), een van de naar Curaçao uitgeweken toeslagengedupeerden.

Tot haar vertrek naar Curaçao in 2008 was Wever een deelraadslid van de SP in Amsterdam. Nu zet ze zich zo veel mogelijk in voor haar lotgenoten op het Caribische eiland, bijvoorbeeld met het organiseren van lotgenotenbijeenkomsten. Ook stuurde ze met anderen een klachtenbrief Source: Volkskrant

Previous

Next