Atty van de Voort is 100 jaar. Hoe kijkt deze gepensioneerde verpleegkundige terug op de eeuw die achter haar ligt? En hoe ervaart ze haar oude dag?
‘Niet veel bijzonders’ noemt Atty van de Voort haar levensverhaal, maar ze wil er toch wel over vertellen en raakt al pratende steeds meer op dreef. Vooral als het over haar favoriete recepten gaat, veert ze op. Haar dessert Baked Alaska is legendarisch in de familie.
‘Ik mankeer van alles op mijn leeftijd. Sinds 3,5 jaar woon ik in dit verzorgingshuis. De zorg is goed hier, ze doen hun best, hoewel ik soms te lang moet wachten voordat ik naar de wc kan. Ik heb er een hekel aan dat ik zulke dingen niet meer zelf kan. Ook voel ik mij weleens opgesloten. Ik kan niet meer in mijn eentje naar buiten, dan moet ik wachten totdat iemand met mij mee wil. Steeds vaker denk ik: het hoeft voor mij niet meer.
‘Ik droom zo veel. Vannacht was ik met mijn man aan het wandelen en toen kwam er iemand aan die hem doodschoot. Op zijn witte overhemd zag ik een rode vlek. Idiote droom hè.’
‘Koken, daar heb ik altijd veel plezier aan beleefd. Baked Alaska, ken je dat dessert? Het is heel eenvoudig te maken. Je hebt nodig: een goede oven, een stuk diepgevroren roomijs, het eiwit van tien geklopte eieren en dikke plakken cake. Je maakt op een houten plank een bodem van cake, daarop leg je het ijs en daaroverheen doe je het opgeklopte eiwit. Het moet allemaal heel snel, want anders smelt het ijs. Je bakt het 5 minuten in een voorverwarmde oven, op de hoogste stand. Daarna steek je een soeplepel cognac in de fik en gooit de drank al brandende over het dessert. Ik had er altijd veel succes mee.’
‘‘Het is een wonder dat u nog leeft’, zei een arts een tijdje geleden tegen mij. Ik heb een hersenbloeding gehad, darmkanker, heb twee nieuwe heupen en een nieuwe knie. In de jaren negentig was ik een van de eersten die een toen nog experimentele chemobehandeling kregen tegen darmkanker. Die sloeg aan en ik genas.
‘En dan heb ik ook nog een zoon verloren. Hans overleed in 1971 aan kanker, 22 jaar oud. Zo’n leuke, baldadige jongen, en heel charmant. Hij hield de deur voor je open, en als je naast hem op de stoep liep, ging hij altijd aan de kant van het verkeer lopen. Hans had ook heel mooie handen.
‘Het is een zware klap als je je kind verliest. Nog vaak denk ik: waarom wordt zo’n jongen weggenomen en moet ik zo oud worden? Ik had graag zijn plaats ingenomen. Hij studeerde psychologie en had nog een heel leven voor zich. Vooral als ik ga slapen denk ik aan hem. Dat moet ik eigenlijk niet doen, want die gedachten houden mij wakker. Het is zinloos jezelf ziek van verdriet te maken. Ik probeer de gedachten aan Hans weg te duwen door aan mijn andere kinderen te denken.’
‘Ik geloofde in God, maar na Hans’ dood ben ik daarvan afgestapt. Als onze Lieve Heer goed is, hoe kan het dan dat mijn zoon zo jong moest sterven? Ik voel nog steeds woede daarover. ’s Avonds praat ik nog wel met God, maar dan zeg ik aan het eind: ‘Ach, dit heeft geen zin, u bestaat toch niet!’’
‘Ik ben Nederlands-hervormd opgevoed en moest van mijn ouders elke zondag mee naar de kerk. Met katholieke kinderen in de straat mocht ik nooit spelen. Daar begreep ik niks van, maar ik volgde de regels. Ik was geloof ik wel een braaf kind. Toen ik mijn latere man aan mijn ouders kwam voorstellen en ze hoorden dat hij katholiek was, zei mijn moeder: ‘Als je ooit kinderen krijgt, hoef je niet met ze aan te komen!’ En wie stond na de geboorte van onze zoon als eerste naast de wieg?’
‘Ik kon naar de hbs, maar ik koos voor de mulo, omdat mijn beste vriendin Willy de Breker ook naar de mulo ging. Raar eigenlijk. Mijn ouders vonden het goed, ze hadden zelf alleen lagere school. Maar mijn oma zei: ‘Waarom zou je naar de mulo gaan en talen leren? Je gaat toch nooit naar het buitenland.’
Na de mulo ben ik de opleiding voor verpleegkunde gaan doen in het Stads- en Universiteitsziekenhuis in Utrecht. Dat was een interne opleiding. Ze waren heel streng. Als je na je werk de stad in wilde, moest je dat van tevoren zeggen en om uiterlijk tien uur ’s avonds thuis zijn, een idioot vroege tijd. Als we te laat terugkwamen, klommen we over het hek in de achtertuin. Door een bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarbij twee medewerkers van het ziekenhuis omkwamen, konden we als verpleegkundigen niet meer in het Zusterhuis blijven wonen. Ik vond onderdak in een hofje achter de Oudegracht.
‘Daar kwam ik in de keuken een jongeman tegen in Volendamse klederdracht. Hij was op bezoek bij zijn zus. Ik vroeg of hij vis verkocht. ‘Nee’, zei hij, ‘ik studeer rechten.’ Hij was een beetje bekakt, kwam uit Limburg en bleek ondergedoken te zitten in een hotel in Volendam. Hij heette Paul en met hem zou ik na de oorlog trouwen. Voor onze huwelijksreis gingen we vijf dagen naar Volendam, waar we logeerden in het hotel van zijn onderduiktijd.
‘We waren een pittig stel, geen tutjes. Ik weet nog dat we over de Oudegracht in Utrecht liepen en ruzie kregen. Van woede gooide Paul zijn verlovingsring in de gracht. En ik pakte een keer tijdens een meningsverschil aan de ontbijttafel een glas melk op, maar tijdens mijn uithaal kwam de melk niet op hem, maar tegen het plafond terecht. Ik was koppig en Paul kon goed driftig zijn, maar dat was altijd snel weer over. Ik heb een goeie man aan hem gehad.
‘Als getrouwde vrouw moest ik stoppen met werken. Maar ik mocht nog wel een paar maanden doorwerken op de afdeling dermatologie van het ziekenhuis om mijn kruisje, mijn diploma, te halen. Al snel kwam ik erachter dat mijn salaris op de rekening van mijn man werd gestort. Woedend was ik. Ik ben naar de directeur gestapt, maar die zei dat het volgens de regels was. Ik zocht het hogerop en maakte bezwaar bij een instantie. Mijn man steunde mij en schreef een mooie brief, als jurist was hij daar goed in. Ik werd in het gelijk gesteld. De kassier van het ziekenhuis was helemaal niet blij, want andere getrouwde verpleegkundigen wilden natuurlijk ook het salaris op hun eigen rekening krijgen.
‘Dit was mijn eerste feministische actie. Daar is het helaas bij gebleven, want ik raakte al snel zwanger. Aan de kinderen en het huishouden had ik mijn handen vol.’
‘Dat de vrouw meer in te brengen heeft en haar eigen inkomen kan verdienen als ze getrouwd is. Dat is ook beter voor de kinderen. Een moeder die werkt, krijgt slimmere kinderen. Voor de relatie is het ook beter, die wordt gelijkwaardiger. In mijn tijd waren vrouwen financieel afhankelijk van hun echtgenoot. Mijn man gaf mij gelukkig altijd een ruim bedrag aan huishoudgeld, waarvan ik af en toe ook iets voor mezelf kocht, maar ik hield het heel bescheiden hoor. Op de Antillen – waar we 25 jaar hebben gewoond omdat mijn man daar als advocaat kon werken – had ik een vriendin die maar 75 gulden per maand te besteden kreeg van haar man, voor een huishouden met twee kinderen. Ze vroeg mij weleens om hulp, als ze geen geld had voor de kapper of kleren voor haar dochters.’
‘Oh, maar die verhuizing vond ik heel erg leuk! In Nederland vond ik het leven en de mensen maar duf, ik wilde graag wat anders. Op Aruba en later Sint-Maarten was het veel vrolijker. We hadden er meer vrienden dan in Nederland. Met hen grepen we elke gelegenheid aan om een feestje te vieren. In Nederland kregen vrouwen op verjaardagen een advocaatje, de mannen een glaasje jenever. Op Aruba dronken we rum, whisky en cocktails. Ik ben er ook weer gaan werken, als wijkverpleegkundige.
‘Mijn ouders had ik wel wat aangedaan met onze verhuizing. Ik was enig kind en in één klap nam ik hun hun dochter én kleinkinderen af. Later hoorde ik dat mijn moeder na ons vertrek naar Aruba twee weken zenuwziek op bed had gelegen.’
‘Doe wat je zegt. Daarvoor is het belangrijk te weten wat je wel en niet kunt waarmaken. Wie zijn beloften niet nakomt, doet anderen verdriet. Je hebt zo’n uitdrukking: veel beloven, weinig geven doet de gekken in vreugde leven.’
‘Ik was toch liever naar de hbs gegaan en geneeskunde gaan studeren om arts te kunnen worden. Ik denk dat ik dat wel had gekund. Dat moet dan maar in mijn volgende leven.’
geboren: 26 mei 1923 in Rotterdam
woont: in een zorgcentrum in Amsterdam
beroep: verpleegkundige
familie: drie kinderen (een overleden), vier kleinkinderen, vier achterkleinkinderen
weduwe: sinds 1999
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden