Home

Dictator duikt vaas op: hoe Poetin territoriale claims onderbouwt met archeologie

Waargebeurd: in augustus 2011, op een mooie zonnige dag, verscheen de Russische president Vladimir Poetin aan de oever van de Zwarte Zee. In een neopreen wetsuit. De Russische leider, die zich graag laat vastleggen als ijshockeyende judoka die met ontbloot bovenlichaam paardrijdt, was dit keer uitgerukt voor een fotomoment bij Phanagoria, een onderwateropgraving in de Baai van Taman in de Zwarte Zee. Poetin maakte een korte duik – hij was niet meer dan een paar minuten onder water. Maar in die paar minuten deed hij iets dat Russische archeologen in de weken en maanden voorafgaand aan het bezoek niet was gelukt: hij bracht twee amfora’s boven water. Twee opvallend goed geconserveerde exemplaren bovendien: na tweeduizend jaar op de zeebodem zat er geen aanslag of algen op het aardewerk.

Het lijkt een aardige anekdote, het zoveelste theaterstukje van een propagandapresident. Zelfs Russische media die normaal gesproken de lijn van het Kremlin volgen, moesten uiteindelijk toegeven dat Poetin de vazen misschien niet helemáál zelf had opgedoken. Met de landkaart erbij ziet het hele geval er aanmerkelijk serieuzer uit. De Baai van Taman ligt 15 kilometer van de Krim, niet ver van de plek waar de in 2018 gebouwde Krimbrug aan land komt.

‘Archeologie geeft je een materiële band met het verleden’, zegt Martijn Manders, bijzonder hoogleraar maritieme archeologie aan de Universiteit Leiden. Zo’n zichtbare, tastbare band met de geschiedenis – of althans: een bepaalde versie van de geschiedenis – is precies wat Poetin en zijn omgeving zoeken. ‘De Russische geschiedenis is in de Sovjettijd jarenlang weggemoffeld en vervangen door een ideologisch geconstrueerd verhaal. Alles wat bijvoorbeeld maar zweemde naar het tsarisme is na 1917 weggevaagd’, zegt Manders. ‘Nu er een andere wind waait, zie je dat er in Rusland allerlei figuren en instanties banden met het verleden willen terughalen. En zodra Poetin aan de rand van de Zwarte Zee twee vazen uit de oudheid opduikt, ontstaat er een tastbare lijn tussen hemzelf, de geschiedenis en de locatie.’

Over de auteur

Ernst Arbouw is schrijver en wetenschapsjournalist en schrijft voor de Volkskrant over onderwerpen die uiteenlopen van Groningse otters tot Franse oorlogsbrieven. In 2021 verscheen zijn boek H.W.R. was hier, Canada, Nederland, de Bevrijding en de zoektocht naar soldaat Harold Wilbert Roszell.

Vladimir Poetin is zelf niet terughoudend bij het trekken van die lijn. Na de bezetting van de Krim in februari 2014 noemde hij in een toespraak Phanagoria ‘het spirituele hart van Rusland’. Het Kremlin maakte omgerekend bijna 3,5 miljard euro vrij voor onderwaterarcheologie in het gebied – naar iedere denkbare maatstaf een absurd hoog bedrag.

Ook voor Manders, al maakt hij wel een voorbehoud bij dat budget. Ja, het is veel, héél veel geld, maar onderwaterarcheologie is een dure bezigheid. Hij somt op wat nodig is voor onderzoek op de zeebodem, te beginnen met gespecialiseerde archeologen met offshore-duikpapieren. ‘Je mag dit soort werk niet zomaar op een hobbyduikbrevet doen. Verder heb je geclassificeerde schepen nodig, beneden een bepaalde diepte moet je speciale luchtmengsels gebruiken, vanaf een bepaald punt heb je verplicht een decompressietank nodig, waarvoor je dan ook weer een grotere klasse schip moet huren, en ga zo maar door.’

Manders sprak vijftien jaar geleden in Rusland over plannen voor archeologisch onderzoek aan de Vrouwe Maria, een Nederlands fluitschip (een type zeilschip met drie masten en relatief geringe diepgang) geladen met kunstschatten (onder meer schilderijen van Rembrandt) die toebehoorden aan tsarina Catharina de Grote. Het Nederlandse schip met Russische schatten verging in 1771 onderweg naar Sint-Petersburg in wat nu Finse territoriale wateren zijn, en voorafgaand aan het onderzoek, en mogelijk het lichten van de lading, was overleg tussen de drie betrokken landen nodig.

Zonder publiekelijk een bedrag te noemen, wil Manders wel bevestigen dat de Russen een zeer groot budget beschikbaar hadden voor het boven water halen van de geschiedenis. ‘Overigens bij lange na niet zoveel als het bedrag dat nu wordt genoemd in Phanagoria. Het is lastig om een prijskaartje aan een opgraving te hangen, want ieder project is anders, maar de Zwarte Zee is vrij diep. Je zit met gemak op duizenden tot tienduizenden euro’s per dag.’

In zijn Krimtoespraak van 2014 leunde Poetin op het idee van Phanagoria als ‘spiritueel hart’ van de Russische natie. De historische connectie werd daarmee een rechtvaardiging voor territoriale claims. Probleemloos is dat niet. De geschiedenis van het Zwarte Zeegebied is rijk gevarieerd: van steentijdresten en smelterijen uit de bronstijd en ijzertijd via Grieken, Romeinen, Armeniërs, Mongolen en Turken tot kooplieden uit de Italiaanse stadsstaten – en dat is slechts een greep. De vraag is of het gevarieerde archeologische erfgoed in de regio op enige manier een territoriale claim rechtvaardigt.

‘Nee, natuurlijk niet’, zegt Eden Sarid van de universiteit van Essex in het Britse Colchester. ‘Juridisch snijdt het geen hout. Maar de strijd om het erfgoed is in zekere zin net zo belangrijk als het feitelijke slagveld.’ Ook Sarid verwijst naar Poetins Krim-toespraak uit 2014. ‘Het archeologisch onderzoek is een boodschap voor het binnenlandse en het internationale front: kijk, wij doen hier onderzoek, wij zijn historisch gebonden aan deze plek. In zekere zin was het een openingszet voor de huidige oorlog’, vertelt hij telefonisch.

Sarid, van huis uit jurist gespecialiseerd in intellectueel eigendom en erfgoed, schreef eerder over de archeologische schaduwoorlog vanuit het perspectief van internationale verdragen over cultureel erfgoed en het internationaal maritiem recht.

‘Er zijn twee belangrijke bronnen die bescherming en eigendom van materieel erfgoed op de zeebodem regelen. In de eerste plaats het Unesco-verdrag over de bescherming van cultureel erfgoed onder water, maar Rusland ontkent nadrukkelijk dat het daaraan gehouden is. In de tweede plaats is er het internationaal maritiem recht, maar dat biedt, overigens net als het Unesco-verdrag, geen houvast voor een soevereiniteitsclaim op basis van wat er zoal op de zeebodem ligt.’

Terwijl Rusland erfgoed op de zeebodem gebruikte als oorlogswapen, liet ook Oekraïne zich niet onbetuigd. Kort nadat het land het Russische vlaggeschip Moskva tot zinken had gebracht, riep de regering in Kyiv het wrak van de kruiser uit tot Oekraïens onderwatererfgoed. Het schip werd direct na het uitbreken van de oorlog beroemd toen Oekraïense grenswachten op Slangeneiland het schip de radioboodschap ‘Russian warship, go fuck yourself’ stuurden; zeven weken later brachten de Oekraïense strijdkrachten het tot zinken.

De bestemming van het wrak als cultureel erfgoed lijkt een speldenprik in de propagandaoorlog tussen de twee landen. ‘State-level trolling’, aldus Sarid, maar hij waarschuwt voor serieuze consequenties. ‘Het is in strijd met zowel het Unesco-verdrag over de bescherming van cultureel erfgoed onder water als het internationaal maritiem recht. Daarmee schept Oekraïne een gevaarlijk precedent. Er is een reden dat we internationale wetten en verdragen hebben, en het is per definitie geen goed idee om het internationaal recht uit te hollen. Het kan als een boemerang terugkomen.’

Ondertussen zijn Rusland en Oekraïne niet de enige landen die onderwaterarcheologie gebruiken als mogelijke springplank voor soevereiniteitsclaims. Zowel Manders als Sarid wijst naar China, dat de laatste jaren steeds actiever onderzoek doet in de Zuid-Chinese Zee. Sarid noemt ook Canada, dat in de zogeheten Noordwest Passage in het Arctisch gebied op zoek ging naar de sinds 1845 vermiste schepen van ontdekkingsreiziger Sir John Franklin. Na de vondst van HMS Erebus, het eerste van Franklins twee schepen, verwees een Canadese minister letterlijk naar Rusland als bedreiging van de Canadese soevereiniteit in de Noordwest Passage: ‘Dit is een deel van onze geschiedenis, een deel van ons nationaal erfgoed en, eerlijk gezegd, van onze soevereiniteit in het Arctisch gebied. Ik denk niet dat we een Russische vlag gaan vinden op de Erebus.’

‘Door het smelten van het poolijs wordt het Arctisch gebied toegankelijk voor scheepvaart en voor winning van olie en gas. Je ziet dat landen nu druk bezig zijn hun bestaande of vermeende soevereiniteit in het gebied te bevestigen’, zegt Sarid. Daarbij wijst hij opnieuw naar de archeologische activiteiten van Rusland, dat de laatste jaren op verschillende plaatsen in het Noordpoolgebied het onderzoek heeft opgeschroefd.

Op de Noorse archipel Spitsbergen, waar het land in de Sovjettijd enkele mijnbouwnederzettingen beheerde, wordt archeologisch onderzoek op land gedaan. Opvallender: ook ten noorden van Alaska, dat tot 1867 in Russische handen was, doet het land onderzoek. ‘En als je weet dat het land archeologisch erfgoed gebruikt als argument bij territoriale claims, dan is dat absoluut zorgwekkend’, aldus Sarid.

Ook boven water zaten het Kremlin en de Oekraïens Source: Volkskrant

Previous

Next