‘Nou’, zei Marcel nadat hij zijn digitale handtekening onder het document had gezet. ‘Dat was het dan.’ Hij schoof zijn stoel naar achter en ging de keuken binnen. Tijdens het pruttelen van het koffiezetapparaat keek hij door het zijraam naar de kastanjebomen op het schoolplein. Over een paar maanden zouden de eerste vruchten op de grond vallen, knallers van kastanjes in stekelige bolsters, de vruchten glanzend als parket, goud in handen van kinderen, ónze kinderen vooral, die ze als eerste konden delven – nadat de laatste bel had geklonken en de leerlingen waren verdwenen veranderde het schoolplein in een privédomein. Nog één keer zouden we het meemaken, de verrukking, de jaszakken vol en de vensterbank die langzaam zou veranderen in een etalage, wat ervoor terug zou komen wisten we nog niet.
Marcel zette een kop koffie voor me neer, het voelde als een aansporing. Even later had ook ik getekend.
Zes maanden had het geduurd. Zes maanden waarin we alle bekende fasen waren doorgegaan. Eerst de hoop na iedere bezichtiging (‘Dit is ’m, ik voel het’), daarna geduld en hardop beleden optimisme en uiteindelijk de voorzichtige gedachte dat we hier misschien wel nooit meer weg zouden komen. In de tussentijd bezichtigden we zelf ook huizen, ze zeiden dat het goed was om je geest kooprijp te maken, maar omdat niemand óns huis wilde kopen bleef het bij kijken, leuk maar vrijblijvend, onserieus.
En toen, na de veertiende bezichtiging, uitgerekend op de dag dat het me was gelukt de verleiding te weerstaan net wat eerder naar huis te gaan, om daar verdekt opgesteld achter een auto een glimp te proberen op te vangen van de wildvreemden die op dat moment door mijn huis banjerden, belde de makelaar. Het was een jong stel geweest, zei ze, uit Amsterdam, met een, even kijken... (er klonk papiergeritsel) ja: een zoontje van vier maanden. Ze waren superenthousiast geweest, ze verwachtte hier wel een voorstel uit.
Een week later lag er inderdaad een bod.
‘Jezus’, zei Marcel, net als ik overvallen door de snelheid waarmee het ineens ging. ‘En nu?’
Ik: ‘Ze hebben er ook een brief bij gedaan.’
We lazen ’m samen. Twee leraren, hij een Amsterdammer, zij van hier, elkaar ontmoet in de collegebanken, verhitte discussies, een vonk, inmiddels een zoontje en een kat. En hoewel ze ontzettend gehecht waren aan hun Amsterdamse appartement, zouden ze graag een huis betrekken dat ruimte zou bieden aan dat gezin – ook voor in de toekomst. ‘En natuurlijk een logeerkamer voor onze verstokte Amsterdamse vrienden, die ongetwijfeld zullen zeuren over de lange reis naar de Zaanstreek.’ En ja, ze wisten wat Marcel allemaal had geschreven over het dorp, haha, geweldig, maar het was tóch de plek waar ze een binding mee hebben, omdat we er van elkaar gingen houden. Op de foto die ze erbij hadden gedaan zagen we twee dertigers met bruin haar, een glimlach in een baard, zij haar hoofd schuin naar hem toe gedraaid, een zilveren kettinkje dat onder een shirt verdween, het licht weerkaatsend op hun gezicht zoals dat alleen bij jonge huid gebeurt. Ik keek naar Marcel en zag dat hij hetzelfde dacht. Wat we zagen was onschuld, het begin van een avontuur, ongeschonden en vol verwachting, hier zou het gaan gebeuren, de kick van een écht huis, de weldaad van ruimte, de eerste keer éígen gras onder je voeten, klein, ongecompliceerd geluk. Wij zouden straks ook weer van alles krijgen, minstens zo’n mooi huis, met nog genoeg avontuur voor de boeg, maar dát niet.
Marcel keek me aan: hij moest nog wat mensen bellen, rekeningen sturen, over een half uurtje samen wat kijken? Ik knikte en zei dat ik de krant ging lezen, maar in plaats daarvan keek ik door het keukenraam, naar de kastanjebomen. Ja meid, leken ze te zeggen, jíj wilde dit.
Source: Volkskrant