Andries Jonker besefte een tijdje terug dat hij een probleem had. De bondscoach van de voetbalsters wilde oefenen tegen een sterke tegenstander, die zijn team flink onder druk kon zetten. Maar in juni, tijdens de voorbereiding op het WK, waren er geen sterke vrouwenteams beschikbaar. Dan oefenen we toch tegen een jongensteam, opperde de bondscoach.
‘Tot mijn verbazing was de mening vrij unaniem: niet doen in het openbaar’, legt hij deze week na een training uit in Zeist. ‘Normaal gesproken verlies je’, weet Jonker. Dat is prima te verklaren, de fysieke verschillen tussen vrouwen en mannen zijn gewoon te groot, ook met 17- en 18-jarige jongens al. Maar de KNVB vond het toch te kwetsbaar. De bond wilde het team niet blootstellen aan de voorspelbare, laatdunkende reacties van mensen die vrouwenvoetbal toch al niks vinden.
Zo onaantastbaar als de ‘Oranje Leeuwinnen’ in 2017 waren zijn ze al lang niet meer. In de zomer van dat jaar zat alles mee. De volle stadions in eigen land, de resultaten bekroond met de onverwachte Europese titel, maar ook de onbevangenheid van de speelsters: ze zorgden allemaal voor de doorbraak van Oranje en het vrouwenvoetbal bij het grote publiek.
Twee jaar later vocht de ploeg zich ook nog naar een zilveren WK-medaille, maar na 2019 kwam de sleet er op. Nog met Sarina Wiegman strandde de ploeg op de Olympische Spelen in Japan in de kwartfinale, vorig jaar volgde het voorlopige dieptepunt. Op het EK eindigde Nederland bij de laatste acht.
Erger nog: de machteloosheid droop ervan af. Weg was alle frisheid. Moe en mopperend – op bondscoach Mark Parsons vooral – verlieten de voetbalsters Engeland.
Die aangeslagen ploeg kreeg Jonker (60) toen hij eind augustus als opvolger van de ontslagen Engelsman werd aangesteld. Aan het begin van de eeuw was hij al eens kort bondscoach van de vrouwen geweest, maar daarna werkte hij vooral in het mannenvoetbal. Hij was assistent van Louis van Gaal bij Barcelona en Bayern München, hoofd opleidingen bij Arsenal en coach van Wolfsburg, Volendam, MVV, Willem II en Telstar, zijn laatste club.
Een keer eerder maakte hij een WK mee, als analist was hij in 2014 mee naar Brazilië, maar nu staat hij aan de vooravond van zijn eerste toernooi als eindverantwoordelijke. Hoe staan de voetbalsters er nu voor, bijna een jaar na het aantreden van Jonker? Zijn ze klaar voor het WK dat op 20 juli begint in Australië en Nieuw-Zeeland?
‘Vanaf mijn bank gezien leek het erop dat het elftal op het EK het vertrouwen in zichzelf kwijt was’, zegt Jonker deze week in het spelershotel in Zeist, waar de speelsters hun WK-voorbereiding maandag zijn begonnen. ‘Er hing iets negatiefs rond het team. Ik denk dat het elftal nu weer gelooft in zichzelf en de sfeer buiten het veld is ook weer positief. Dat is het belangrijkste, als die twee dingen niet voor elkaar zijn, dan gaat het niet.’
Over de auteur
Dirk Jacob Nieuwboer is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft over voetbal en handbal. Hij was eerder correspondent Turkije en politiek journalist.
Er was een beetje geluk voor nodig, erkent hij. Nederland kwalificeerde zich begin september voor het WK door van IJsland te winnen. De winst was verdiend, maar kwam pas in blessuretijd tot stand door een toevalstreffer, een voorzet van Esmee Brugts vloog zomaar het doel in. ‘Dat gaf rust. Daarna konden we samen uitvogelen waar onze kwaliteit en kracht liggen. Wanneer zijn we als team het beste?’
De positieve sfeer was de afgelopen week te merken in Zeist, waar de ploeg de eerste periode van de voorbereiding doorbrengt. Het zijn natuurlijk maar de eerste dagen, pas het begin van een toernooi dat alleen al vanwege het vele gereis slopend zal worden, maar de gemoedstoestand is anders dan vorig jaar.
Toen overheerste vanaf de eerste dag van de voorbereiding op het EK het verwachtingsmanagement. Denk vooral niet dat we weer kampioen worden, herhaalden coach en speelsters, we hebben een paar stappen teruggedaan en andere landen juist vooruit. Nu klinkt voortdurend het hoopvolle mantra: we zijn niet de favoriet, maar we kunnen van iedereen winnen.
‘Er zijn verschillende strategieën om zo’n toernooi tegemoet te treden’, zegt Jonker. ‘We kunnen zeggen dat we heel blij en trots zijn dat we mee mogen doen, maar ik vind dat we daar te groot voor zijn. We kunnen ook zeggen dat we wereldkampioen worden, maar dat zou ik arrogant vinden. En niet gebaseerd op realiteitszin, want daarvoor zijn andere landen te goed.’
Spanje, Frankrijk, Duitsland, Engeland en Amerika somt hij op. Het zijn de landen die volgens hem wel favoriet zijn voor de wereldtitel. Amerika is volgens Jonker ‘altijd goed’, Spanje en Engeland voetballen beter dan Nederland, Frankrijk heeft enorm veel snelheid en Duitsland een enorme strijdlust. ‘En ze hebben allemaal meer absolute topspeelsters.’
Opvallend bij Nederland: de dragende spelers van nu zijn grotendeels dezelfde als in 2017. Stefanie van de Gragt, Sherida Spitse, Jackie Groenen, Daniëlle van de Donk, Lieke Martens, ze waren er allemaal al bij toen Nederland Europees kampioen werd. Topscorer Vivianne Miedema ook, maar zij ontbreekt omdat ze eerder dit jaar een kruisband in haar knie scheurde.
‘Dat was zes jaar geleden een heel jong team’, relativeert Jonker. Tegelijkertijd weet hij dat hij het als bondscoach van een klein land moet doen met een relatief beperkte kern. ‘De breedte is natuurlijk in Nederland altijd een probleem, ook bij de mannen. Wiegman deed het met twaalf, dertien speelsters, met die anderen ging het niet. We zijn nu wat breder aan het worden, maar het gaat met vallen en opstaan.’
De bondscoach wond zich begin dit jaar flink op toen Nederland met 2-1 van Oostenrijk verloor. De omstandigheden waren bepaald niet ideaal op Malta, maar de twee tegendoelpunten vielen pas in de slotfase. Na een aantal wissels zakte zijn ploeg door de ondergrens. ‘Toen heb ik gezegd: dit kan niet, als je erin komt moet je beter zijn dan dit. Ze kunnen het tijdens de trainingen wel, ze moeten het lef hebben om het in het oranje shirt te laten zien. Daarna is dat beter gegaan.’
Zes wedstrijden werden er onder zijn leiding gewonnen, drie verloren, maar die uitslagen zeggen hem niet zoveel. Jonker experimenteerde veel, vooral met het 5-3-2-systeem, dat hij naast het vertrouwde 4-3-3 wil kunnen gebruiken. Het liefst wil hij tijdens wedstrijden kunnen wisselen, zodat de tegenstanders zich aan moeten passen.
De bondscoach houdt zich vooral vast aan de wedstrijd tegen Duitsland van begin april. Die oefenpot werd met 1-0 verloren, maar Nederland creëerde tegen het topland vijf grote kansen. ‘Zij kregen er drie, maar die wedstrijd hadden we kunnen winnen. Op een goede manier, met goed voetbal. Dat is belangrijk geweest.’
Achteraf is hij niet zo ongelukkig met het verlies, want bij winst waren de verwachtingen weer ‘tot Tokio’ opgelopen. In een toernooi moet het ook een beetje meezitten en dat is op voorhand niet het geval. De loting biedt weinig ruimte voor misperen.
Vietnam, 32ste op de Fifa-wereldranglijst, mag geen probleem zijn voor Nederland (negende). Maar in de poule zit ook wereldkampioen Amerika, dat de Fifa-lijst aanvoert. Tijd om in het toernooi te groeien is er niet, want de eerste wedstrijd is tegen Portugal. Dat land staat 21ste, maar op het EK vorig jaar wist Nederland maar net van de energieke ploeg te winnen.
‘We moeten fit zijn, echt fit zijn’, zegt Jonker, die vorig jaar voor de buis constateerde dat andere ploegen er conditioneel beter voor stonden. ‘Voor wat wij willen, moet het nog beter. Iedereen is heel behoorlijk binnengekomen, maar nu moeten we nog fitter worden.’
Het is een van de redenen waarom hij zo graag tegen jongens wil oefenen. Tot nu toe is het gelukt om te voetballen zoals hij wil, vooral op de helft van de tegenstander, maar Nederland speelde slechts onder hem slechts een keer tegen een topland. ‘Duitsland kon ons toen niet onder druk zetten, maar Amerika lukt het straks misschien wel.’
Jonker is duidelijk, dat is ook zo’n mantra dat steeds maar weer wordt herhaald. Hij zegt het zelf, de spelers beamen het. Soms een beetje grinnikend. ‘Ja, op zijn Amsterdams hè’. Hij draait er het liefst niet omheen. Tegen spelers die strijden voor één plek zegt hij gewoon openlijk: jullie zijn concurrenten.
Hij is de baas, maar niet zo één die altijd zijn zin doordrukt. ‘Soms is het ook wel verstandig om te bedenken: hé, daar zit wel wat in. Als heel veel mensen met elkaar vinden dat je het niet moet doen, dan moet je op zijn minst wel even luisteren.’
Dus legde hij zich uiteindelijk neer bij het besluit om zondag niet in het openbaar te spelen tegen het jongensteam van Volewijckers. Maar het duel gaat wél door, zonder camera’s en toeschouwers. ‘Ik hoop dat de jongens ons onder druk kunnen zetten, dat we die manier van verdedigen kunnen oefenen, maar ook dat we gedwongen worden tot een heel grote inspanning. Als iedereen speelt dan moet iedereen een helft lang knalhard verdedigen. Dat is de bedoeling van die wedstrijd.’
De uitslag vindt hij ‘niet zo interessant’. Een redelijk jongensteam met 18-jarigen wint normaal gesproken van een vrouwenteam. ‘Ook van de aanstaande wereldkampioen, of wij nu dat nu zijn of Spanje.’
De verrassing zou groter zijn als Nederland op 20 augustus in Sydney de titel pakt. ‘Maar wij kunnen van iedereen winnen. Dat gevoel had ik al na die wedstrijd tegen IJsland en langzamerhand is dat alleen maar meer bevestigd.’
Source: Volkskrant