Het Pieter Baan Centrum onderzoekt in een pas opgerichte neuropoli het brein van verdachten. Want achter een heftig delict kan soms een hersenaandoening schuilgaan. Zulk onderzoek kan – op termijn – ook helpen bij het inschatten van de kans op recidive.
Met stevige passen loopt de bewaker naar het justitiebusje dat even daarvoor door een metershoge poort van staal en beton het terrein van het Pieter Baan Centrum is opgereden. ‘Het is een vrouw’, zegt ze, terwijl ze haar plastic handschoenen aantrekt. ‘Wel zo prettig als ik het doe.’
‘Het’, dat is het verplichte lichamelijke onderzoek op verboden voorwerpen dat de bewaker straks zal verrichten bij de gedetineerde in het busje: een veertiger die verdacht wordt van het plegen van een brandaanslag. Vanmorgen vroeg is ze vanuit een gevangenis elders in het land hierheen vervoerd.
Een bezoek aan de longpoli of de hartpoli begint met een hand of elleboog van de dokter. Een bezoek aan de pas opgerichte neuropoli in het Pieter Baan Centrum begint met visitatie.
Er moet meer aandacht komen voor het brein van verdachten, vinden de onderzoekers van de psychiatrische observatiekliniek in Almere. Want achter een heftig delict gaat soms een ernstige hersenaandoening schuil.
Over de auteur
Kaya Bouma schrijft voor de Volkskrant over psyche, brein en gedrag. Ook schrijft ze over de geestelijke gezondheidszorg.
Wetenschappers weten steeds meer over de hersens van daders. ‘Internationaal onderzoek toont aan dat ongeveer 35 procent van de gedetineerden een vorm van niet-aangeboren hersenletsel heeft’, zegt Thijs van de Kant, klinisch psycholoog in het Pieter Baan Centrum en initiatiefnemer van de neuropoli. ‘In de gewone bevolking is dat zo’n 5 procent.’
Dat verschil heeft vermoedelijk te maken met het harde leven dat criminelen vaak leiden, zegt Van de Kant. ‘Ze worden vaker blootgesteld aan middelengebruik, geweld en roekeloos gedrag dat tot ongelukken leidt, vaak al vanaf jonge leeftijd.’
De ontwikkelingen gaan bovendien snel. Amerikaanse onderzoekers bleken onlangs al met kunstmatige intelligentie in staat om, in grote lijnen, de gedachten van proefpersonen te lezen. De komende vijf tot tien jaar kunnen hersenscans mogelijk al ingezet worden om het risico in te schatten dat een dader nog een keer in de fout gaat, voorspelden Utrechtse onderzoekers vorig jaar.
De forensische neuropoli van het Pieter Baan Centrum is in februari van start gegaan en moet in opzet lijken op een polikliniek in het ziekenhuis. De verdachte komt voor één dag naar de observatiekliniek in Almere. Na een afspraak met een klinisch neuropsycholoog, een neuroloog en een reeks tests volgt meestal nog een hersenscan in een gespecialiseerd MRI-centrum. Zo’n twee weken later ligt er een rapport.
Nieuw is neurologisch onderzoek rondom strafzaken niet. De onderzoekers van het Pieter Baan Centrum doen het al langer bij de ongeveer 220 verdachten die daar jaarlijks worden opgenomen ter observatie.
Maar naast die meest heftige en complexe groep laat de rechter jaarlijks naar nog grofweg 2.300 verdachten gedragsdeskundig onderzoek doen. Een psycholoog of psychiater doet dat onderzoek ter plekke, in de gevangenis.
Mocht zo’n onderzoeker een neurologisch probleem vermoeden bij een gevangene, dan was er afgelopen jaren maar één forensisch neuroloog, inmiddels met pensioen, die dat verder kon onderzoeken. Met het oprichten van de neuropoli komen deze verdachten voortaan voor een dag naar het Pieter Baan Centrum voor uitgebreid hersenonderzoek door een team deskundigen.
Op de neuropoli is plek voor 25 onderzoeken per jaar. Het gaat om een pilot, betaald door het Openbaar Ministerie. Na een jaar wordt besloten of de neuropoli blijft.
Een bekend voorbeeld van wat neurologisch onderzoek kan opleveren is de keurige man met blanco strafblad die ervan verdacht werd John en Linda de Mol te hebben afgeperst. De gepensioneerde man had jarenlang in de financiële sector gewerkt.
De forensisch neuroloog ontdekte dat de man leed aan frontotemporale dementie. Door die ziekte ontbrak het hem aan empathie voor zijn slachtoffers. Ook overzag hij de consequenties van zijn handelen niet. De rechter achtte hem sterk verminderd toerekeningsvatbaar.
‘Ik denk niet dat ze het faket.’ Neuroloog Elma Strijks slaat in gedachten verzonken met een reflexhamer in haar hand. Het is half een ’s middags. De verdachte die vanmorgen met het busje is aangekomen is zojuist door een begeleider weggeleid uit het krappe kamertje van de medische dienst. Het ruikt er naar zweet.
Strijks heeft de vrouw hier de afgelopen anderhalf uur uitgebreid neurologisch onderzocht. Ze heeft haar reflexen gecontroleerd en haar medische klachten doorgesproken. De vrouw valt soms zomaar ‘weg’. Dan wordt ze wakker in een ambulance.
‘Soms deed ze bizar’, zegt Strijks, tegen haar twee collega’s die in het kamertje zijn aangeschoven voor overleg. Ze doet voor hoe de vrouw haar armen in de knoop draait, tijdens een behendigheidsoefening die ze moest doen.
De vraag is: doet ze dat bewust? Wil ze zich slechter voordoen dan ze is in de hoop op strafvermindering? Strijks: ‘Twee weken geleden hadden we een man die beweerde dementie te hebben. Dat was bijna komisch. Hij deed alsof, maar hij hield het niet consequent vol. Ons was snel duidelijk dat het niet klopte.’
Ook daar is de neuropoli voor: om uit te sluiten dat iemand een hersenziekte simuleert in de hoop op strafvermindering.
In de VS is het niet ongebruikelijk dat een verdachte in de rechtbank met een hersenscan zwaait om zijn eigen ontoerekeningsvatbaarheid aan te tonen. ‘Mijn brein heeft het gedaan, dat idee’, zegt Maaike Kempes. Ze is bijzonder hoogleraar forensische neuropedagogiek in Leiden en hoofd wetenschap en opleidingen bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, waar het Pieter Baan Centrum onder valt.
Het is een goed voorbeeld van hoe het niet moet, zegt Kempes. ‘Een hersenscan op zichzelf zegt niets. Als ik een scan van mijn hersenen laat maken, is daar misschien ook iets afwijkends op te zien. Als dat geen invloed heeft op mijn gedrag, zegt dat niets.’
Bovendien: als er iets mis blijkt in de hersenen, pakt dat voor de verdachte niet altijd gunstig uit. ‘We hebben weleens een progressieve hersenziekte ontdekt bij een vrouw’, zegt Kempes. ‘Haar ziekte wordt steeds erger. Het risico dat ze nog een keer agressief wordt, groeit daarmee ook. Dat weegt mee in ons advies aan de rechter over het opleggen van tbs.’
In Nederland speelt ‘neurobewijs’ (een hersenscan of ander neurologisch onderzoek) vooralsnog een bescheiden rol in de rechtbank. Tussen 2000 en 2012 is in zo’n 230 rechtszaken neurobewijs gebruikt, inventariseerde het WODC, het wetenschappelijk onderzoekscentrum van het ministerie van Justitie en Veiligheid.
Sindsdien is het aantal zaken waarin neurobewijs een rol speelt waarschijnlijk wat gegroeid, vermoedt Kempes. Maar in vergelijking met de ongeveer 80 duizend strafzaken die jaarlijks voor de rechter komen, blijft het bij kleine aantallen.
Zelf zette de hoogleraar de hersenscans die in het Pieter Baan Centrum gemaakt zijn de afgelopen jaren in voor een ander doel: wetenschappelijk onderzoek. ‘We zien bij deze populatie bijvoorbeeld relatief vaak een soort gaten in de verbindingen die het voorste deel van de hersenen – dat te maken heeft met controle – verbindt met de amygdala, dat gaat over emoties.’
In de praktijk kan een rechter vooralsnog niets met dat inzicht, zegt Kempes: ‘Ook hierbij geldt: misschien heb ik precies diezelfde gaten in mijn brein.’
Hersenonderzoek bij verdachten draait nu nog vaak om wat er mis is: een hersenziekte of hersenschade. In de toekomst, verwacht de hoogleraar, wordt er breder gekeken. Er is al bekend dat een lage hartslag een voorspeller is voor delinquent gedrag. ‘Mensen met een lage hartslag tijdens stress kennen vermoedelijk minder angst en gaan meer op zoek naar sensatie. We hopen in de toekomst vergelijkbare signalen uit de hersenen te kunnen aflezen die iets zeggen over de kans dat iemand opnieuw de fout in gaat.’
Combineer die gegevens met wat we al weten over iemands gedrag en omgeving en het wordt wellicht mogelijk recidiverisico beter te voorspellen, zegt Kempes.
Een groep Utrechtse onderzoekers signaleert een vergelijkbare mogelijkheid. In een onderzoeksrapport over de ‘kansen en risico’s’ van neurotechnologie in het strafrecht, dat vorig jaar in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid verscheen, schrijven zij dat neurotechnologie ‘wellicht al over een jaar of vijf tot tien’ een rol kan spelen bij het inschatten van recidiverisico.
Dat biedt ka Source: Volkskrant