Home

Over de schrale publieke dienst: het ligt niet aan mij en er moet geld bij

Onlangs nam de Tweede Kamer een bezorgde motie aan, over een overheid die steeds minder waar levert voor steeds meer geld. Volgens deze motie moet de Algemene Rekenkamer dat gaan uitzoeken. Het is geen sexy onderwerp, met een kabinet dat niet kijkt op een paar miljard meer of minder om ongenoegen te blussen. Maar voldoende voor de toorn van professor Jos Blank. Hij onderzoekt namelijk sinds jaar en dag met zijn Instituut Publieke Sector Efficiëntie Studies (IPSE) de prestaties van de publieke dienst, en nu doen de Kamerleden alsof ze een schokkende vondst hebben gedaan. Blank vindt al langer dat de openbare dienstverlening zich in ‘een diepe crisis’ bevindt, erger dan in de tijd dat premier Lubbers zei dat Nederland ‘ziek’ was.

Al bijna veertig jaar waarschuwt Blank onvermoeibaar voor de zogeheten ‘ziekte van Baumol’. Deze econoom beschreef hoe de prestaties van de overheidsdienst stelselmatig achterblijven bij het bedrijfsleven, terwijl de lonen wel gelijke tred houden. Daaruit volgt dat je steeds minder politie, bibliotheek of UWV krijgt voor hetzelfde geld. Altijd wordt vol vuur betoogd dat het niet anders kan, aangezien overheidsdiensten arbeidsintensief zijn en er bij leraren of verplegers weinig productiviteitsgroei valt te halen.

Vooral het gebrek aan nieuwsgierigheid naar de vraag of het niet doelmatiger kan steekt Jos Blank. Het onderwijs holt achteruit, de jeugdzorg is bar en boos, en de enige reactie is: er moet geld bij. En als dat geld dan komt, volgt vaak geen aanwijsbare verbetering. Tegenwoordig luidt het mantra dat kwaliteit nu eenmaal betaald moet worden. Onlangs nog beweerde minister Hanke Bruins Slot (BZK) dat we zijn doorgeschoten in het efficiencydenken.

Begin deze week stond ook zoiets in de krant over de Raad voor de Volksgezondheid, die schreef dat de kwaliteit van de zorg het onderspit delft als gevolg van een efficiency-obsessie. Maar dat is helemaal de tegenstelling niet, zegt Jos Blank. Het voorbeeld van mensen in een verpleeghuis die nog maar tweemaal in plaats van driemaal in de week mogen douchen, is een botte bezuiniging. Maar dat heeft met efficiëntie niets te maken. Ook als je kwaliteitseisen stelt, is het een dure plicht om doelmatig om te springen met belastinggeld.

Jos Blank schreef in een boos essay dat de ziekte van Baumol willens en wetens wordt aangewakkerd. De gemeenten die de jeugdzorg sinds 2015 uitvoeren, riepen vanaf dag één dat ze tekortkwamen. Deze week publiceerde IPSE een vergelijkend onderzoek naar kosten en prestaties in de jeugdzorg. Sommige gemeenten leveren voor hetzelfde geld dubbel zoveel zorg als andere. Belangstelling voor de verklaring daarvan ontbreekt; het enige dat de de Vereniging van Nederlandse Gemeenten altijd roept is dat het Rijk over de brug moet komen.

Bij de bestuurlijke orthodoxie hoort dat groter beter is. Dat noemt Blank de ‘schaalkwaal’. Het is ruimschoots aangetoond dat schaalvergroting helemaal niet beter is. Blank had een promovendus die met honderd literatuurverwijzingen liet zien dat driehonderd bedden voor een ziekenhuis de beste omvang is. Nederland heeft ziekenhuizen met meer dan duizend bedden en scholengemeenschappen van 50 duizend studenten. Dat is goed voor het prestige van de Raad van Bestuur en het mooie nieuwe gebouw, maar gaat ten koste van de prestaties.

In de tijd van Lubbers waren er nog achthonderd zelfstandige mavo’tjes en ruim honderd politiekorpsen. Toen was er makkelijk schaalvoordeel te halen. Maar elke beginnende econoom weet dat er een omslagpunt is, waarna de afstand tussen de top en de werkvloer te groot wordt, de regels en protocollen gaan knellen, het ziekteverzuim stijgt en de kosten oplopen. Als Jos Blank dat op een symposium vertelt, worden de ogen groot van verbazing. Schaalvergroting hoort bij de orthodoxie en gemeenten gaan er driftig mee door, want dan kunnen de ambtenaren veel beleid maken.

Doelmatigheid, of ‘efficiency’, heeft een slechte naam, want wordt in verband gebracht met marktwerking, of erger, neoliberalisme. Dat is de verkeerde analyse, want de beruchte ‘leemlaag’ van managers, het micromanagement, regelfetisjisme en de procedurele ziekte hebben niets met een markt te maken. Het zijn de symptomen van een overheid die niet durft in te grijpen bij falend beleid. Managers van instellingen zijn zich weliswaar als ondernemers gaan gedragen, maar zonder het bijbehorende risico. Van concurrentie is het evenmin gekomen. Nooit wordt een mislukte universiteitsbestuurder, ziekenhuisdirecteur of baas van een jeugdzorginstelling ontslagen, nimmer een instelling bankroet verklaard. De kosten worden afgewenteld op de samenleving.

Zo is Nederland in het slechtste van twee werelden verzeild geraakt, met halve decentralisaties en alleen ogenschijnlijke vermarkting van overheidsdiensten. De schrale publieke dienst is het uitvloeisel van een typisch poldercompromis. Rechts kreeg de verzelfstandiging, links kreeg dat het geen verzelfstandiging werd. Over een ding zijn alle betrokkenen het eens: het ligt niet aan hen en er moet geld bij. Op mijn vraag bevestigde Jos Blank dat hij er ‘klaar’ mee is. Als hoogleraar gaat hij over een jaar met pensioen, maar hij belooft het scalpel te blijven hanteren om met zijn instituut IPSE de ziekte van Baumol te lijf te gaan.

Source: Volkskrant

Previous

Next