Home

Frits Spits: ‘Mijn werk was mijn reddingsboei. Muziek en taal zorgden ervoor dat ik weer grip kon krijgen op het leven’

Een schampschot, zo noemde de cardioloog het. Die vervelende pijn die radiopresentator Frits Spits (75) afgelopen januari dagenlang had gevoeld in zijn linkerarm, was een hartinfarct geweest. Maar wel een lichte variant. Het weekend daarvoor had hij nog gewoon De Taalstaat gepresenteerd. De huisarts had wel geconstateerd dat hij een erg hoge bloeddruk had. Toch maar even naar het ziekenhuis voor nader onderzoek dus. Anderhalf uur later lag hij in een ziekenhuisbed. Spits schrok er eigenlijk helemaal niet van. ‘Dat is het leven. Zo gaan de dingen. Op deze leeftijd heb je nou eenmaal een mistgebied betreden waarin je niet goed weet wat je tegemoet gaat.’

‘Het is meer het besef van eindigheid. Als je 17, 18 bent, ligt er een eindeloze zee voor je, zonder horizon. Die horizon is inmiddels duidelijk zichtbaar geworden. Maar daar moet je vooral niet dramatisch over doen.’ Angst voelde hij al evenmin. Als het afgelopen was geweest, zou dat vooral droevig zijn voor de mensen die van hem houden. ‘Ik had er vrede mee gehad. Het leven is goed voor me geweest. Al ben ik dolgelukkig dat ik er nog ben. Ik hoop nog heel lang te kunnen genieten van het leven.’

Het hartinfarct trof hem vlak voor zijn 75ste verjaardag. Hij moet die gelegenheid nog steeds een keer vieren, met z’n drie zoons en zes kleinkinderen. Al is 75 voor hem geen mijlpaal. ‘Het was voor mij gewoon een dag. Of je nou 74 of 76 bent, wat maakt het uit? Het is niet iets wat mij erg bezighoudt. De tijd heb je niet in de hand, die heeft mij in de hand. Dat geldt voor zoveel dingen in je leven. Het meeste overkomt je: de mensen die je tegenkomt, degene op wie je verliefd wordt... Wat ik wel ervaar is dat je met het ouder worden de essentie van het bestaan beter begrijpt.’

‘De liefde. Proberen anderen te helpen. Een goed mens proberen te zijn.’

‘Ik probéér het in elk geval. Voor mensen om mij heen, maar ook voor mijn luisteraars. Ik probeer aardig voor ze te zijn, wil mijn best voor ze doen. Ik praat tegen ze. Ik zie ze niet, maar ze zijn er voor mijn gevoel wel degelijk.’

2023 is een kroonjaar voor Spits. Hij is niet alleen 75 geworden, hij is in 2023 ook vijftig jaar op de radio te horen. Hij maakte zijn debuut in september 1973 in het programma Proefdraaien van de NOS. Of hij zich de allereerste plaat nog herinnert die hij op de radio draaide? Hij knikt nadrukkelijk. Alsof hij dát zou vergeten, zeg. ‘Dat was Showdown van ELO.’ Hij pakt zijn mobiele telefoon erbij. Want al die loodzware platenkoffers die hij vroeger mee naar de studio moest zeulen, passen tegenwoordig gewoon in zijn borstzakje. Heel even laat hij de begintonen van ELO over de terrastafel stuiteren, zachtjes en beschaafd. Zijn hoofd wiegt mee, met omkrullende mondhoeken. ‘Hiermee begon het’, zegt hij dromerig.

Zijn debuut viel in goede aarde; hij kreeg een proefperiode van drie maanden op Hilversum 3, onder de hoede van Felix Meurders en Ad Roland. Daarna mocht-ie blijven. In 1978 begon hij met De Avondspits, dat in zijn hoogtijdagen drie miljoen luisteraars wist te trekken. Het programma werd legendarisch, mede vanwege programmaonderdelen als ‘Kruip in de huid van’ en de ‘Poplimerick’. En toch staat die periode inmiddels mijlenver van hem af. ‘Als ik terugdenk aan die radiocarrière van toen, dan lijkt het net of ik het zelf niet ben geweest. Toen was ik vooral de muziekman, bij De Taalstaat ben ik ook een man van het woord. De Taalstaat vind ik mijn beste programma ooit. Niet alleen omdat het mijn laatste programma is, maar ook omdat daarin alles samenkomt.’

‘Is dat zo?’

‘Ik ben inderdaad geen Rob Stenders of Giel Beelen. Al vind ik mezelf niet zozeer netjes, maar eerder respectvol en gedreven. Ik wil mensen iets meegeven. Daar past geen negativiteit bij. Zo zit ik niet in elkaar. Ik hou daar niet van, luister er ook niet graag naar. Daar zet ik de radio niet voor aan.’

‘Ik luister bijna altijd naar NPO Radio 1. Laatst hoorde ik in Met het Oog op Morgen Chris Kijne in gesprek met Spinvis. Voor mij als liefhebber van het Nederlandstalige lied was dat een geweldig interview. Daar hou ik van: nieuwsgierig zijn, goede vragen stellen. Ik hou van geïnteresseerde makers. Ik wil aan een presentator horen dat hij iets met het onderwerp heeft.’

‘Heel soms.’

‘Er zijn eindeloos veel zenders tegenwoordig. Daarnaast heb je Spotify en oneindig veel podcasts. Jongeren zitten niet op 3FM, maar op TikTok. Daar kennen ze hun liedjes van. Ik denk dat het echt wel weer goedkomt met die zender. Ze moeten vooral goede mensen aantrekken. Ik gun ze het allerbeste. Het is toch de plek waar ik ben begonnen.’

‘Het laatste wat je maakt vind je altijd het mooist. In De Taalstaat komt muziek, taal en radio samen. Zoiets had ik dertig jaar geleden niet kunnen maken.’

‘Dat lijkt me wel, ja. Ik wil in elk geval nooit programma’s maken die ik al heb gemaakt. Ik hou van nieuwe wegen. De wegen die achter me liggen waren prachtig, maar ik ken ze al. Mooier dan dit wordt het vast niet meer.’

‘O ja. Ik heb tv-programma’s gepresenteerd. Dat bleek niet mijn medium te zijn. Ik heb het jongerenprogramma Nieuwsspits gemaakt en heb Ook dat Nog gepresenteerd. Gewerkt met prima redacties. Toch heb ik het op tv nooit kunnen waarmaken. Bij televisie heb ik te weinig zeggenschap over hoe je een programma maakt. Als presentator ben je hooguit een vooruitgeschoven post. En ik wil juist zo graag grip op mijn programma hebben. Ik wil presenteren met een koptelefoon op, rechtstreeks tegen mijn luisteraars praten. In die radio woon ik, bij de televisie ben ik hooguit op bezoek.’

Hij schiet in de lach. ‘Welnee. Mijn eerste uitzending van Met het Oog op Morgen was dramatisch. Eindredacteur Flip Feij vroeg me ooit of ik het wilde proberen. Ik durfde het niet aan. Totdat hij op een zondagmiddag belde: ‘Frits, ik zit vreselijk omhoog, heb helemaal niemand vanavond. Wil jij het proberen?’ Die middag was er een vliegtuig neergestort. Groot nieuws natuurlijk. Maar ik kwam ’s avonds binnen: ‘Is er nog iets gebeurd?’ Zaten ze me met grote ogen aan te kijken. ‘Wéét je dat dan niet?’ Zo begon het al. Die avond moest ik iemand interviewen over luchtvaartverzekeringen. Ik begreep er geen fluit van. Een deejay is vooral snel, die improviseert, praat intro’s vol. Maar een goed gesprek voeren is andere koek. Uiteindelijk groei je toch in je rol. Bij Het Oog heb ik geleerd hoe je vragen moet stellen, hoe je moet structureren, wat journalistiek denken is. Daar heb ik nog altijd veel aan. De Avondspits, Tijd voor Twee, Het Oog, dat alles vloeit samen in die delta die De Taalstaat heet.’

Frits Ritmeester, zoals zijn werkelijke naam luidt, groeide op in Eindhoven, in een gezin met vier kinderen. Zijn vader Sam Ritmeester maakte in de Tweede Wereldoorlog als arts deel uit van de Prinses Irenebrigade (een legeronderdeel dat bestond uit Nederlandse soldaten die in 1940 uit handen van de Duitsers hadden weten te blijven) en was met die brigade in 1944 betrokken bij de invasie in Normandië. Na de oorlog werd hij huisarts, en clubarts van PSV. Zijn moeder Hanny Meijler was journalist voor onder meer Libelle, schreef kinderboeken en songteksten, zoals Ik ben gelukkig zonder jou van Conny Vandenbos. Een Joods gezin, zonder dat het Jodendom ook maar enige rol speelde. ‘Ze hadden allebei een hele oorlog meegemaakt, maar ze hebben ons opgevoed zonder enige rancune of haat. Mijn ouders hadden vooral de overtuiging: we moeten vooruit, verder met ons leven. Dat hebben ze ons vooral geleerd: kijk naar wat er wél deugt.’

‘Een jaar of 11. Ik heb toen aan mijn vader gevraagd: ‘Papa, zijn wij Joods?’ Hij zei: ‘Ja hoor.’ Dat was alles. We deden er thuis helemaal niets aan. Er was ook niets in huis wat erop wees. Terwijl mijn moeder zwaar getraumatiseerd moet zijn geweest door de oorlog. Haar ouders zijn vermoord in Auschwitz, maar dat kon ze gewoon niet over haar lippen krijgen. Ze sprak altijd in de derde persoon over de oorlog: ‘Er werden mensen naar de gaskamers gestuurd.’ Mijn oma leed aan zware depressies en zat als patiënt in het Apeldoornse Bosch (een Joodse psychiatrische inrichting waarvan alle 1.300 bewoners en ruim 200 personeelsleden in januari 1943 op transport werden gesteld naar Auschwitz. Niemand keerde terug, red.). Mijn moeder bleef zichzelf maar voorhouden dat mijn oma tijdens dat transport was overleden. Terwijl gedocumenteerd is dat ze in Auschwitz is vergast.’

‘Zeker. Tegelijkertijd had mijn moeder een heel vrolijke kant. Ze schreef series voor de KRO-televisie, publiceerde leuke kinderboeken en romans en schreef een indrukwekkend boek over de mannen van de Prinses Irenebrigade, Ik zou weer zo gek zijn. Die kant was er gelukkig ook. Mijn moeder was creatief, liefdevol, grappig en opstandig. Ik was dol op haar.’

Zijn vader is al dertig jaar dood. Hij heeft zelden zo’n erudiete man meegemaakt. Daarom was het zo schrijnend om te zien hoe hij langzaam maar zeker in de greep van alzheimer belandde. ‘Onvoorstelbaar hoe je uit die wijze onwankelbare man langzaam maar zeker de wijsheid zag wegebben. Toch bleef hij mijn vader. Hij lachte altijd als ik binnenkwam.’ Hij draagt hem met zich mee. Bijna letterlijk. ‘Toen ik 4 was ben ik in het prikkeldraad gevallen. Mijn vader heeft dat toen gehecht.’ Hij tuit zijn lippen, om het litteken boven zijn lip te accentueren. ‘Zie je het? Bij zijn uitvaart heb ik dat ook gezegd: zijn zorg voor mij Source: Volkskrant

Previous

Next