Nederland moet zijn innerlijke demonen kennen. Dat is misschien wel de eerste les, de les die aan de andere lessen voorafgaat, die ik trek uit mijn interviewserie Stuurloos, een zoektocht naar een beter bestuur.
Ik kom erop door het gesprek met historicus Michal Citroen. Zij schreef het boek U wordt door niemand verwacht, over de koude, soms ronduit vijandige ontvangst in Nederland van de weinige Joden die terugkeerden. Over de halfhartige pogingen om kampoverlevenden op te halen. Over Joden die zich moesten verantwoorden omdat ze een aantal jaren geen belasting hadden betaald. Over de tegenwerking bij pogingen om hun huizen en bezittingen terug te krijgen. En Citroen zag dat het in andere landen beter ging.
Over de auteur
Kustaw Bessems is redacteur en columnist van de Volkskrant en host van de podcast Stuurloos. Hij heeft een bijzondere belangstelling voor openbaar bestuur en schrijft daarnaast over alles van disco tot klushuizen.
Het laat zien hoe Nederland toen al de trekken vertoonde die ook nu zo vaak het probleem zijn: formalisme, gebrek aan durf en fantasie, te weinig oog voor de menselijke kant. Citroen herkent patronen uit haar onderzoek in het toeslagenschandaal, bij de gaswinning, in de houding ten opzichte van de Afghaanse tolken en medewerkers.
Het debat over uitholling van de publieke sector concentreert zich op pakweg de laatste 35 jaar en dat is op zich terecht. Maar misschien moeten Nederlanders ook dit van zichzelf weten: kilte, gebrek aan bekommernis om een groep waartoe je niet behoort, de houding dat regels nu eenmaal regels zijn – het zijn misschien wel neigingen die we altijd zullen moeten bedwingen.
Het maakt die uitholling sinds de jaren negentig niet minder reëel. Nog altijd wordt niet helemaal op waarde geschat wat een rare tijd dat was. Het idee vatte post – serieus – dat welvaart, vrede en de liberale democratie overal ter wereld op het punt van uitbreken stonden.
In die sfeer deed zich een probleem voor. De verzorgingsstaat was in de jaren daarvóór enorm uitgedijd. De staat had daarbij allerlei taken overgenomen van de teloorgegane zuilen. En dat werd onbetaalbaar. Nog high van de kapitalistische overwinning in de Koude Oorlog werd de oplossing gezocht in het afstoten van overheidstaken naar de markt en het binnenhalen van marktmechanismen in de overheid. Dat leek bij het nieuwe type burger te passen, die zich immers had ontworsteld aan verstikkende religieuze en sociale verbanden en hyperindividueel was. De burger was voortaan een klant.
Als ik bij een gemeente kom en ze hebben het over de afdeling die met burgers praat, dan heet dat het ‘klantcontactcentrum’. Noem een burger een klant en je behandelt hem zo. Behandel een burger als klant en hij gedraagt zich zo. En burgers en klanten zijn verschillende wezens. Een burger zou kunnen beseffen dat het bestuur zijn eigen project is, samen met andere burgers. Een klant niet. Dat is iemand die vier paar sneakers bestelt en er drie terugstuurt. Een klant is iemand die mondig en assertief zijn recht opeist.
Het klantdenken is ook onrechtvaardig voor mensen die niet mondig en assertief zijn. Het is een van de dingen die Jan Veldhuizen het kwaadst maakt. Veldhuizen is een dominee die in Enschede slachtoffers van de Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning bijstaat. Dat zijn wetten die mensen moeten ondersteunen met een inkomen of zorg thuis, maar dat inkomen en die zorg worden nogal eens zonder goede gronden afgepakt. En wanneer Veldhuizen voor mensen bezwaar aantekent tegen zo’n besluit, toont de gemeente zich vaak snel inschikkelijk, merkt hij. Terwijl bezwaar maken, de strijd aangaan: dat kunnen de mensen die hij bijstaat zelf juist niet opbrengen. De mondige klant heeft in Nederland meer rechten dan de onmondige burger.
Ook voor wie stevig in zijn schoenen staat, is het gevecht met de bureaucratie taai. De belofte was een slank, efficiënt bestuur dat wel zou optreden als een soort regisseur, maar het belangrijke werk aan de markt zou laten of aan semi-overheidsorganisaties op afstand. Die konden dan lekker ongestoord meters maken, zonder dat de suffe centrale overheid erbovenop zou zitten.
Dat idee heeft het openbaar bestuur schade berokkend die we niet te boven zijn. Een overheid die allemaal deeltaakjes heeft belegd bij externen verliest elke wendbaarheid, omdat ze zich afhankelijk heeft gemaakt van te veel partijen. En welt daarover de maatschappelijke onvrede op, dan grijpt zij naar de enige overgebleven instrumenten: wetten en regels, waardoor het bestuur onverdraaglijk ingewikkeld wordt.
Die uitkomst vanuit ons burgers bekeken? Het bestuur doet denken aan een afstandelijke, autoritaire ouder. Je wordt lang aan je lot overgelaten: zoek het vooral zelf uit. Maar op onverwachte momenten, als je een grens over blijkt te zijn gegaan, kun je ineens een ongenadige draai om je oren verwachten. Vooral als je zwakte toont.
Een overheid die alles uitbesteedt, wordt dommer. Bert Hubert, een ict’er die zowel voor de overheid als het bedrijfsleven heeft gewerkt, stelt dat ministeries zijn teruggebracht tot ‘een bundel contracten’. Vakinhoudelijke kennis is zo weggelekt. Naar aanleiding van het interview dat ik met hem had, onderzocht platform Investico de vacatures bij de Rijksoverheid van de afgelopen zeven jaar. Er wordt inderdaad steeds minder expertise gevraagd. Wat wel? ‘Politieke sensitiviteit.’
Welnu, met politieke sensitiviteit blijk je niet – ik noem maar wat – de vastlopende systemen van de Belastingdienst te kunnen fixen, waardoor het in het ooit zo ontwikkelde Nederland twijfelachtig is of het over een paar jaar nog lukt om ordentelijk belasting te innen – de basis waarop een staat rust.
Afgelopen week sprak ik op ‘De avond van de publieke dienstverlening’. Uitkeringsinstantie UWV en de Sociale Verzekeringsbank zetten daarmee de ‘knelpuntbrieven’ luister bij die zij sinds een paar jaar aan de Tweede Kamer sturen. Alles om de aandacht te vangen van politici die zulke instanties met onmogelijke regelingen opzadelen. Aan bod kwam het voorbeeld van een vrouw die na twee maanden weer werk had gevonden, maar er niet in slaagde haar uitkering op te zeggen en dus sollicitatieplichtig bleef. Terwijl ze dus al werk had en geen geld wilde. Ik bespaar u de onderliggende regel.
Die brieven lezen als smeekbedes om vereenvoudiging. Ze illustreren ook weeffouten. Op zich is er in de Tweede Kamer en op departementen de laatste jaren meer aandacht voor ‘uitvoerbaarheid’ van beleid. Maar het wordt dan heel wat gevonden wanneer uitvoerders beleid dat al lang en breed is bedacht – of zelfs al in werking is getreden – nog mogen toetsen. Achteraf. Wat geen gebruik is, is de praktijk als startpunt voor het beleid nemen. Terwijl praktijkmensen vaak beter weten waar ze over praten, ook omdat ze direct in aanraking komen met de mensen voor wie dat beleid uiteindelijk is.
En díé mensen, die door het beleid worden geraakt? Uit alle uitvoeringsproblemen spreekt dat beleid niet vanuit hun gezichtspunt wordt bedacht, maar van bovenaf. Politici zouden vooral de doelen moeten bepalen die ze willen bereiken, maar leggen in coalitieakkoorden veel te gedetailleerd specifieke maatregelen vast waarmee dat zou moeten gebeuren. Vervolgens blijkt het voor ambtenaren geaccepteerd dat beleid uit te werken, zonder in hun werkzame leven ook maar één keer naast iemand te zitten die erdoor wordt geraakt. De goeden niet te na gesproken uiteraard.
Albert Jan Kruiter, actieonderzoeker van het Instituut voor Publieke Waarden, zit wel naast mensen. Door hen te helpen hun problemen op te lossen, kan hij het systeem beter analyseren. Hij staat onder meer zogenoemde multiprobleemhuishoudens bij. En zegt dat die vaak maar één probleem hebben. Bijvoorbeeld: er is geen auto om kinderen mee naar school te brengen. Het wordt een tonnen kostend multiprobleem, omdat er geen regeling is waar die auto vanzelf uitrolt en geen ambtenaar die de ruimte pakt om dat voor elkaar te krijgen.
Begint zich in al die lessen nu iets van een programma af te tekenen voor hoe het wel moet? Dat zou voor nu te pretentieus zijn, maar van een paar dingen begin ik wel overtuigd te raken.
Allereerst: haal de schotten tussen beleidsdepartementen en uitvoeringsorganisaties weg. Stop ook maar helemaal met de term ‘uitvoering’. Die is tekenend voor eenrichtingsverkeer: wat van bovenaf is bedacht, zal u door de strot worden geramd. In een term als ‘publieke dienstverlening’ zit al beter gebakken voor wie het openbaar bestuur eigenlijk hoort te zijn.
Werf op expertise. En niet alleen op vakinhoudelijke expertise, maar ook op ervaringsdeskundigheid. Abigail Norville, plaatsvervan Source: Volkskrant