Schrijversdagboeken lees ik altijd met een zeker voorbehoud. Is dit een écht dagboek, vraag ik me dan af, of heeft de schrijver bij het schrijven wel degelijk geanticipeerd op publicatie, met het risico op mooischrijverij?
Het algoritme van mijn e-bookabonnement vond dat ik Moeder en pen moest lezen, het derde deel van de dagboeken van Mensje van Keulen. De titel vond ik nogal truttig, maar toch, even kijken dan maar. Het bleek ontzettend goed. Ik las het achter elkaar uit, en meteen daarna ook deel 1 en 2.
Van Keulen schreef de dagboeken tegen wil en dank, op aanraden van vrienden, om periodes van writers’ block te overwinnen. Ze werd in 1972 in één klap beroemd met de ‘kleine roman’ Bleekers zomer, een fenomenaal geestig en tragisch werkje, met als hoofdpersoon Willie Bleeker, een geconstipeerde kleinburger die zich vergeefs probeert te ontworstelen aan zijn lullige lot van kostwinner in een uitgeblust huwelijk.
Van Keulen was toen pas 25, maar al vijf jaar getrouwd met haar grote liefde ‘Lon’, een man die uit de dagboeken tevoorschijn komt als een manipulatieve, egocentrische, chronisch ontrouwe schoft, die haar bovendien niet het kind wil geven waar ze zo naar verlangt. ‘Doe hem weg, Mensje’, dacht ik, maar nee, dit waren de jaren zeventig, een tijd waarin mannen zich alles konden permitteren. Huwelijkstrouw gold sinds de seksuele revolutie als burgerlijk en bekrompen; vrijheid ging boven alles.
‘Bedrog! Verraad! Al die tijd, ruim twee jaar! heeft hij zich in de spleet van die gore C, in dat graf gestort. Hij kan niet meer zonder, zegt hij (...) Zijn verwijt: ik ben als zijn moeder die hem ooit verbood in een sexboekje te kijken.(...) en dan begon ik nog eens over een kind. Een kind wil je niet bij je moeder. Ik ben dus zijn moeder, een Haagse dame met bril en blauwspoeling.’
Nog meer dan een persoonlijk document vormen de dagboeken een beeld van een schrijversgeneratie. Gerrit Komrij, Jan Donkers, Cees Nooteboom, Peter Vos, Maarten Biesheuvel en de onfortuinlijke dichter Robert Loesberg, die aan lager wal raakt als zijn vriendin bij een treinramp omkomt (na veel hallucinant mensonterend gesteggel krijgt hij 10.000 gulden schadevergoeding van de spoorwegen).
Jongens, maar geen aardige jongens. Ischa Meijer mishandelt zijn vriendin tot botbreuken aan toe, Cees Nooteboom doet enge dingen in bed, ze gaan allemaal vreemd: een en ander komt terloops voorbij, even terloops als de tomeloze toewijding die die mannen van hun vrouwen verwachten: eten op tafel, schone was, de zorg voor kinderen en administratie, een (ijzingwekkend beschreven) trio en (dito) abortus als het zo uitkomt, plus die voortreffelijke ‘vrijheid’ die ze hun man moeten gunnen om elke nacht dronken (niet) thuis te komen en wekenlang ‘in hun eentje’ op vakantie te gaan.
Heel gewoon was het allemaal, het hoorde erbij, net als de verkrachting in de trein door de conducteur, waarvan Van Keulen zo achteloos gewag doet (‘Nog even en hij is weg...schiet op, zielige lul’) dat de schrik je om het hart slaat: wat een barre tijden waren dat voor vrouwen, nog maar zo kort geleden. Anderzijds mochten ze wel gewoon gezellig blijven roken, zuipen en nachtbraken tijdens de zwangerschap zonder dat iemand ze scheef aankeek.
Ja, die zwangerschap komt er toch. De schoft ‘Lon’ maakt er een ruilhandeltje van: zij mag haar zo vurig gewenste kind krijgen als hij zijn minnares mag houden. Gelukkig geeft de ‘versmorende’ liefde voor haar zoontje haar de kracht die ze nodig heeft om die hufter uiteindelijk te verlaten.
Lees de dagboeken van Mensje van Keulen. Ze zijn in al hun rauwheid niet geschreven voor publiek, maar daar uiteindelijk tóch beland.
Gelukkig maar.
Source: Volkskrant