Home

Ongemerkt hoort de ambtenaar nu bij de bestbetaalde werknemers

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Dat was een stevige boodschap, maandag, van De Nederlandsche Bank (DNB): de centrale bank waarschuwt dat de inflatie verder en sneller naar beneden moet. In de prognoses daalt de geldontwaarding van 11,6 procent vorig jaar, naar 4,2 procent dit jaar, 3,7 procent in 2024 en pas naar 2,4 procent in 2025. Dat is nog steeds hoger dan het doel van 2 procent, al moet je ervan uitgaan dat dit in de loop van 2025 wel wordt bereikt.

Dat is al niet al te best. Maar in een alternatief scenario, met een loon-prijsspiraal – een proces waarin lonen en prijzen elkaar beurtelings opdrijven – stijgt de inflatie volgend jaar weer naar 7 procent, om in 2025 niet verder te zakken dan naar 2,8 procent.

De centrale bank is er niet gerust op. DNB noemt drie partijen die een hoofdrol spelen in het voorkomen van die extra stijging: de overheid, de sociale partners (werkgevers en werknemers) en de centrale bank zelf – in de vorm van de Europese Centrale Bank, waarvan De Nederlandsche sinds 1999 een lokale uitvoerder is.

Wat is hun rol? Eerst de overheid. Onder de kabinetten-Rutte is die flink kleiner geworden. Van 2010 tot 2019 kromp de staat: de overheidsuitgaven (inclusief inkomensoverdrachten, zoals uitkeringen) daalden volgens cijfers van denktank de OESO van 48,2 procent van het bbp naar nog maar 42,1 procent. Dat is erg liberaal, zo’n kleine staat. Beduidend minder liberaal is dat de overheidsinkomsten (belastingen, premies) juist toenamen van 42,7 procent in 2010 naar 43,9 procent in 2019.

Dit zijn de uitgaven van de overheid, in procenten van het bbp. Vanaf het aantreden van het kabinet-Rutte I in 2010 namen die gestaag af. Tot de pandemie toesloeg.

De inkomsten van de overheid namen, ondanks de liberale inslag van de kabinetten-Rutte, juist sterk toe.

Inkomsten minus uitgaven leverden tot 2019 een steeds beter begrotingssaldo op, maar ook hier sloeg de pandemie een gat.

De prognoses van De Nederlandsche Bank laten relatief grote begrotingstekorten zien tot 2025. Dat betekent dat de rol van de staat in de economie verder toe gaat nemen.

Sinds Covid begin 2020 uitbrak, zijn de uitgaven – begrijpelijk – geëxplodeerd, tot bijna 48 procent van het bbp. Dat cijfer is daarna weer wat omlaag gebracht, tot 44,5 procent. Maar de overheid is daarmee in 2022 nog steeds ‘groter’ dan vóór de pandemie. DNB ziet nu dat het begrotingstekort stijgt naar 2,2 procent dit jaar en 2,7 procent in 2024 en 2025 – geen wonder dat minister Sigrid Kaag van Financiën het de laatste tijd zo goed kan vinden met Zuid-Europa.

Zulk beleid is ronduit stimulerend, het jaagt de economie aan. Of het tekort vooral wordt veroorzaakt door lagere lasten (kleine kans) of door hogere uitgaven (grote kans), zal pas echt blijken bij de Miljoenennota 2024, komende september. Feit is dat de overheid op het gaspedaal trapt, terwijl de inflatie nog hoog is.

Hoe zit het bij de sociale partners, die tweede belangrijke factor? Hier springt er één groep uit: wéér de overheid – de grootste werkgever van Nederland. Het is misschien moeilijk te geloven, maar de gemiddelde beloning per uur voor ambtenaren (openbaar bestuur en overheidsdiensten, een half miljoen werknemers) was in 2022, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek, de op één na hoogste van alle grote werknemersgroepen in de samenleving. Alleen de financiële sector betaalt nog beter. Dat is een hele verandering sinds 1995, toen het CBS dit begon bij te houden.

Dit is de gemiddelde beloning per uur, per bedrijfstak. Te zien is de situatie in 1995. De financiële sector betaalt het best,  ambtenaren  verdienen gemiddeld minder dan de  onderwijssector .

Negen jaar later, in 2004, verdienen  ambtenaren  al meer dan het  onderwijzend personeel . De  gezondheidszorg  bungelt nog ver onderaan.

In 2013 verdringen  ambtenaren  de onroerendgoedsector. De  gezondheidszorg  rukt op.

En in 2022 staan  ambtenaren  al op plaats twee, na de financiële sector. De  gezondheidszorg  betaalt nu beter dan gemiddeld.

De beloning per uur is een vrij goede maatstaf. Het gaat om de totale vergoeding die een werkgever verschuldigd is aan een werknemer. Inclusief sociale premies ten koste van de werkgever, loon in natura, onkostenvergoedingen, vakantiegeld en dergelijke. Per uur is belangrijk, omdat hierbij – anders dan bij maandsalarissen – geen rekening hoeft te worden gehouden met werken in een volle baan of in deeltijd.

Nu gaan deze cijfers tot en met 2022, maar de indicaties zijn dat de ambtenarenloontrend vol doorzet. De cao-loonstijging van deze groep is, met cumulatief 9,4 procent sinds de inflatiegolf in januari vorig jaar explodeerde, tot nu toe de hoogste van alle grote werknemersgroepen – zowel sinds 2022 als sinds 2021 en 2020. Al krijgen bijvoorbeeld zorg en onderwijs (veel semi-overheid) eveneens grote loonstijgingen.

Het is de ambtenaren uiteraard meer dan gegund. Maar het gaat hier om iets anders: de rol van de overheid bij het inflatiebeleid. De staat jaagt, zoals DNB al impliceerde, door het expansieve begrotingsbeleid die inflatie extra op – of houdt in ieder geval een daling tegen. Dat is het eerder genoemde ‘gaspedaal’. Maar de staat als werkgever loopt al een tijd vooraan bij de loonstijgingen en is er op dit moment een van de belangrijkste aanjagers van.

De Nederlandsche Bank heeft dus groot gelijk met haar kritiek op de overheid, misschien nog wel meer dan zij dacht. Maar de centrale bank zelf is, naast overheid en sociale partners, een van de drie partijen in dit verhaal. En hoe doet die het eigenlijk?

Daar is wel een aardige maatstaf voor: de monetary conditions-index (MCI), zoals de Europese Commissie die bijhoudt. Deze index geeft aan of het monetaire beleid stimulerend is of verkrappend. Hij bestaat voor een deel uit de wisselkoers van de euro ten opzichte van de munten waarmee Europese landen de meeste handel drijven, gecorrigeerd voor inflatie. Het andere deel is de rente van de Europese Centrale Bank, eveneens gecorrigeerd voor inflatie: de ‘reële rente’.

De MCI is geijkt op de wisselkoers en rente bij de start van de euro in 1999.

Dit is de  monetary conditions-index , die aangeeft of de monetaire omstandigheden verkrappend of verruimend zijn.

De index is samengesteld uit de rente van de ECB en de wisselkoers van de euro tegenover de belangrijkste andere valuta’s, allebei gecorrigeerd voor inflatie.

Te zien is dat het monetaire beleid nog steeds heel ruim is. Dat gaat veranderen. De koers van de euro trekt aan, de inflatie daalt al én de rente gaat verder omhoog. Het beleid wordt zo straks veel krapper dan nu.

Zoals te zien valt, is het monetaire beleid, zelfs na de reeks renteverhogingen door de ECB van het afgelopen jaar, nog steeds erg stimulerend in vergelijking met 1999. Dat corrigeert zich vanzelf een beetje, mocht de inflatie dalen en de MCI vanzelf omhooggaan. Maar zo te zien hebben ook de centrale bankiers nog wel een taak voor zich, bij het temmen van de geldontwaarding.

Maarten Schinkel schrijft in deze rubriek wekelijks over economie en financiële markten. De volgende editie verschijnt in verband met een zomerstop weer in september.

Meer afleveringen

Als het maar beweegt

NieuwsbriefNRC Economie

Krijg elke werkdag om 12 uur een persoonlijke selectie van het economische nieuws van de dag van een van onze redacteuren.

U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.

Source: NRC

Previous

Next