Home

Hoe het gif van de nostalgie door Oost-Europa sijpelt

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Georgi Gospodinov In een met de International Booker Prize 2023 bekroonde roman laat de Bulgaarse schrijver zien hoe de huidige onvrede in Europa op een kwaadaardige manier kan ontsporen.

Ineens is er een roman die Europa laat zien zoals het werkelijk is: geen verenigde statenbond, maar een door rancune gedreven continent waar de gewone man terug verlangt naar een harmonieus verleden dat nooit heeft bestaan. Je hoeft alleen maar te kijken naar de huidige reactie in Midden- en Oost-Europa op 1989, het magische jaar waarin de ene communistische dictatuur na de andere plotsklaps ten val kwam doordat de Sovjet-Unie met Michail Gorbatsjov een leider had gekregen die geweld tegen haar vazalstaten schuwde. Dankzij die vreedzame opstelling konden de hervormers in die landen hun kans grijpen, met op het Roemenië van Ceausescu na vreedzame revoluties als gevolg.

Voor de inwoners van Midden- en Oost-Europa brak een tijd van grote verwachtingen aan. Eindelijk zouden ze het net zo goed krijgen als in het Westen. De wachtlijsten voor een auto, wandmeubel of televisie waren verleden tijd. Hogere salarissen lonkten, ook al waren de fabrieken waarin ze verdiend moesten worden hopeloos verouderd. De belangrijkste verbetering met vroeger was misschien nog wel dat de geheime politie, die decennia lang iedereen in de gaten had gehouden, ineens verdween. De angst voor de staat verdampte, de vrijheid lonkte.

Maar algauw bleek dat velen niet met die vrijheid overweg konden, gewend als ze waren dat alles van hogerhand werd beslist en ze niet wisten hoe ze het initiatief moesten nemen om zelf veranderingen teweeg te brengen. ‘Als je uit een strafkamp komt, weet je niet wat vrijheid is’, schreef de Wit-Russische Nobelprijslaureaat Svetlana Alexijevitsj daarover in 2013 in haar magistrale boek Het einde van de rode mens.

Toen die grote belofte van welvaart niet werd ingelost, keerde de nostalgie terug, de wereld van de valse herinnering. En precies daar betreedt de Bulgaarse schrijver Georgi Gospodinov (Jambol, 1968) het literaire toneel met zijn nieuwe, door Hellen Kooijman sprankelend vertaalde roman Schuilplaats voor andere tijden (Vremeubezhiste, 2020), waarvan de Engelse vertaling van Angela Rodel, Times Shelter getiteld, op 23 mei bekroond werd met de International Booker Prize 2023.

Net als in De wetten van de melancholie (2016), Gospodinovs tweede roman, waarin hij op een essayistische manier een empathische verteller zijn jeugd in het Oostblok laat reconstrueren op grond van melancholieke herinneringen, gaat ook Schuilplaats voor andere tijden over dat verleden. Je komt er zelfs allerlei bekende elementen uit De wetten van de melancholie tegen, zoals sigaretten en lucifers van een merk van vroeger, posters van film- en popsterren, de opkomst van inpakkunstenaar Christo, damesondergoed-reclames uit de Neckermann-catalogus, de Beatles, en met name het personage Gaustin, ‘de gesjeesde student filosofie, met zijn geniale projecten (en mislukkingen) waarmee je een heel schrift kon vullen.’

Gaustin leeft het liefst in vroegere tijden. Zo neemt hij in De wetten van de melancholie op een avond afscheid van de verteller met de mededeling dat hij naar 1937 vertrekt. Als die verteller hem in 2007 weer tegenkomt, op het vliegveld in Londen, leest Gaustin een Time uit 1968, alsof hij nog altijd in dat verleden leeft, maar wel met de tijd is meegegaan. Dat flaneren door de tijd is nu iets wat Gospodinov tot de rode draad in zijn nieuwe boek heeft gemaakt.

In Schuilplaats voor andere tijden is Gaustin bevorderd tot hoofdpersoon. Hij is neergestreken in Wenen, waar hij als psychiater-gerontoloog een speciale kliniek heeft opgericht voor patiënten met Alzheimer, een ziekte die als een pandemie om zich heen grijpt. De nog altijd inventieve Gaustin heeft een bijzondere behandeling voor zijn patiënten bedacht door de afzonderlijke spreekkamers in de stijl van een bepaald decennium uit de twintigste eeuw in te richten. Hierdoor stelt hij hun in staat om tijdens een consult terug te keren naar vervaagde herinneringen waarin ze zich op hun gemak voelen. Die behandelmethode heeft zo’n succes, dat ook elders in Europa filialen van die kliniek worden geopend.

Op den duur melden zich daar steeds meer gezonde mensen, die een schuilplaats zoeken voor het almaar grimmiger wordende heden. En daar komt het gif van de nostalgie om de hoek kijken, waar het Gospodinov om te doen is.

Voor het zover is, dompelt hij je eerst onder in de wereld van Gaustins patiënten. En die is vermakelijk en ontroerend tegelijk. Zo heeft Gaustin zijn eigen spreekkamer geheel in jarenzestigstijl ingericht, ‘met zeepjes, sigarettendoosjes, een bakelieten platenspeler, een hele serie miniatuurautootjes – kevers, roze Cadillacs en Mustangs –, posters van films en acteurs.’

De verteller, in wie je Gospodinov zelf meent te herkennen, zet je meteen op een dwaalspoor door zich te vereenzelvigen met Gaustin, ‘die ik eerst zelf had verzonnen, en die ik later in levenden lijve ontmoette. Of misschien was het andersom, ik weet het niet meer.’ Wie is die Gaustin, vraag je je meteen af? Zijn alter ego? Degene die hij het liefst zelf had willen zijn? En hoe zit het met zijn eigen herinneringen? Meteen denk je aan het werk van W.G. Sebald en Jorge Luis Borges, andere meesters van de bevreemdende werkelijkheid. Maar net als bij hen besef je dat het er eigenlijk niet toe doet wie wie is, omdat het verhaal uiteindelijk de overhand krijgt en het zichzelf vertelt.

Net als in De wetten van de melancholie ontsnapt Gaustin ook nu een paar keer naar tijden van voor zijn eigen geboorte, waarbij de datum van 1 september 1939, de dag waarop nazi-Duitsland Polen binnenviel en de Tweede Wereldoorlog begon, bepalend lijkt te zijn. Voor hem lijkt die oorlog beslissend, ook omdat hij een Joodse moeder heeft, die gevaar van de nazi’s heeft te duchten. Die dag is daarom ‘het einde van de menselijke tijd.’

In Zürich komt de verteller Gaustin na jaren weer op het spoor. In deze stad, ‘waar nooit een 1939 is geweest’, heeft Gaustin zijn eerste kliniek voor het verleden opgericht, met behulp van de bejaarde meneer S., de zoon van een diplomaat uit het vooroorlogse Bulgarije die na 1944 slachtoffer werd van de repressie door de Sovjet-Unie. Aan de hand van zijn geschiedenis wordt het verhaal van de vervolging van de vooroorlogse elite in communistisch Bulgarije verteld.

In de kliniek herbeleeft meneer S. zijn herinneringen aan zijn vader in de prille naoorlogse jaren. Hij is dan nog kind en zijn vader smeert een dikke snee geroosterd witbrood voor hem met een vingerdikke laag boter. Met die ‘geliefde’ herinnering kan hij rustig sterven.

Een andere patiënt, een bejaarde Roemeen, herinnert zich alleen wat hij in zijn jonge jaren verzonnen heeft omdat hij het had willen meemaken. Zo geniet hij in de spreekkamer in de jarentachtigstijl opnieuw van zijn wandelingen door de straten van New York en van een concert van Simon en Garfunkel dat hij in Central Park denkt te hebben meegemaakt.

En dan is er nog meneer N., een dissidente Bulgaarse schrijver die in 1968 een verhouding had met de dochter was van een hooggeplaatste communist. Hij werd gearresteerd en gemarteld. Van die martelingen herinnert hij zich niets. Om erachter te komen wie die vrouw was, zoekt hij contact met de geheim agent die hem jarenlang heeft geschaduwd. Er ontstaat een vriendschap tussen beide mannen, waarbij de mild geworden ex-agent meneer N. zoveel mogelijk probeert te helpen met het opklaren van zijn herinneringen aan ‘de mooiste vrouw van Sofia’.

En dan maakt Gospodinov ineens een overgang naar een groter verhaal, dat van het gebalsemde verleden van voor 1989. Van de particuliere kliniek zoomt hij uit naar het hele Europese continent, waar velen ook het liefst in hun zoetste herinneringen zouden willen verblijven en zich laten verleiden door populisten.

Bij Gautin komen ineens panische hoge vertegenwoordigers van de EU op bezoek met de vraag hoe ze tijd kunnen winnen ‘met een flink tekort aan toekomst.’ Besloten wordt tot een referendum in heel Europa met als centrale vraag: in welke periode was iedereen het gelukkigst. Een slechter besluit hadden ze niet kunnen nemen. Chaos breekt uit binnen de EU als blijkt waar ieders voorkeur ligt en de onderlinge verschillen aanmerkelijk zijn.

De verteller keert voor dat referendum terug naar Bulgarije. Daar is hij getuige van de verkiezingsbijeenkomsten van de twee grootste politieke partijen, de communisten en de nationalisten. De eersten dragen de grauwe grijze pakken van de partij-elite van weleer, de anderen hullen zich in traditionele klederdracht met pofbroeken, geborduurde hesjes en dolken. Antieke geweren en paarden doen de rest. De wereld lijkt een grote historische re-enactment te zijn geworden.

Moderne auto’s zijn uit het straatbeeld verdwenen en massaal vervangen door oude, logge Moskvitsj-limousines. Overal klinkt volksmuziek. De nostalgie lijkt het alom te hebben gewonnen en wordt nog eens extra aangemoedigd met geld uit Moskou.

Als de verteller op bezoek gaat bij een oude studievriend, die inmiddels hoogleraar is, krijgt hij de verklaring voor dat verlangen naar vroeger te horen: de meeste mensen hebben genoeg van de politieke partijen, de globalisering en de politieke correctheid. Tegelijkertijd verwijt die vriend zichzelf dat de intellectuelen geen poot hebben uitgestoken om ze te helpen met het opbouwen van een bete Source: NRC

Previous

Next