Hoewel ze zich wereldwijd inzet om de mens zo lang mogelijk te laten leven, heeft internist en gerontoloog Andrea Maier (45) ‘met onze diersoort meer moeite dan met andere’. Dat leidt tot innerlijke strijd.
‘Hoe fijn is het om naar buiten te kunnen lopen en het gras te strelen. Dat is echt geweldig. En hoe waarschijnlijk is het dat wij dat over een aantal decennia niet meer kunnen, omdat de mens zo destructief is. Ik heb echt moeite met onze soort.’
De verzuchting ontsnapt Andrea Maier, gewoonlijk vol ongeremde levenslust en optimisme, halverwege het gesprek. Ze wil eerlijk zijn, ‘geen scherm ophouden’, zo heeft ze zich voorgenomen, ‘ook als ik daarmee geen reclame maak voor mezelf’. Eerste teken van openheid is de ontvangst op blote voeten, in haar 17de-eeuwse, voormalige scheepswerf, hartje Zoeterwoude-Dorp.
Met haar man, medisch antropoloog en eveneens hoogleraar, heeft ze die werf tot een riante woning omgetoverd. Waar ze lang niet altijd te vinden is. De 45-jarige Maier, afkomstig van het Noord-Duitse platteland, is een kosmopoliet, met hoogleraarsbanen in Singapore en Amsterdam. Met adviesfuncties bij de Verenigde Naties en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het lidmaatschap van de wetenschappelijke raad van de Hevolution Foundation; een met Saoedisch geld gefinancierde organisatie die een vergrijzende wereldbevolking aan meer gezonde levensjaren wil helpen. Dat is haar missie wereldwijd, ook in Singapore, waar ze mededirecteur is van een nieuwe onderzoeksinstelling. Dat centrum voor longevity (langlevendheid) heeft als ambitieuze doelstelling de ruim vijf miljoen Singaporezen er drie gezonde levensjaren bij te geven.
Dat soort grote ambities heeft ze altijd gehad, uitdagingen is ze nooit uit de weg gegaan. Na haar specialisatie interne geneeskunde werd ze al op haar 33ste hoogleraar interne geneeskunde en daarna hoogleraar gerontologie aan de VU in Amsterdam. In het voorbije decennium gaf ze in een ziekenhuis van het Australische Melbourne leiding aan een divisie met duizend medewerkers. In Nederland kreeg ze bekendheid in 2016 door haar optreden in het VPRO-programma Zomergasten. Haar ideeën over veroudering zette ze uiteen in een boek met de provocerende titel Eeuwig Houdbaar.
Veelbesproken uitspraken staan op haar naam, zoals de stelling dat ‘veroudering een ziekte is’. Ook wordt haar toegeschreven dat de mens 120 jaar kan worden, maar dat kwam niet uit haar mond, maar stond in een krantenkop ‘die een eigen leven is gaan leiden’. Met de jaren is ze zich minder provocerend gaan uitlaten. Veroudering noemt ze minder nadrukkelijk een ziekte (‘Ik wil niemand onnodig medicaliseren’), ze houdt het nu bij ‘het lichaam in optimale staat brengen om verouderingsprocessen tegen te gaan’. In het kader van langer leven wenst ze ieder mens grondige kennis toe van onder meer zijn genenpakket, hormoonstatus en slaapkwaliteit.
‘Over de eerste zes jaar van mijn leven ben ik heel positief. Mijn vader en moeder hadden in een Noord-Duits dorp een huisartsenpraktijk. Mijn wieg stond letterlijk in de wachtkamer. Als 3-jarige werd ik al door ze ingeschakeld, ik fietste dan een kilometer of vier om geld op te halen. Alles stond bij ons in het teken van werken, mijn ouders leefden daarvoor. Aan vakanties werd niet gedaan, want dat zou het werk maar verstoren. Er kwamen ook nooit mensen over de vloer. Pas later ben ik me gaan realiseren wat me is onthouden, maar destijds was het volkomen normaal voor me.
‘Van mijn vader heb ik in die jaren veel geleerd, niet in de laatste plaats discipline – tien push-ups na het opstaan en voor het slapen gaan. Dat had ook iets dwangmatigs. Hij had een dwangmatige persoonlijkheid, het was iemand die tot twee uur ’s nachts met het schoonmaken van zijn praktijk kon blijven doorgaan. Hij was getekend door het leven. Als student was hij uit Oost-Duitsland gevlucht. Dat verliep dramatisch, het was een traumatiserende ervaring. Innerlijk was hij een goed mens, maar hij kon zich ook als een psychopaat gedragen en berokkende mensen daarmee grote schade. Vooral mijn moeder, een lieve, bescheiden vrouw met enorm veel potentie waar ze nooit aan is toegekomen. Zij was niet tegen hem opgewassen.’
‘Mijn vader heeft ons, mijn moeder, mijn broertje en mij, in de steek gelaten, gedumpt, kun je wel zeggen. Ik heb dit nooit eerder zo openlijk gezegd, maar zo was het wel. Ineens had hij de praktijk verkocht en kregen wij een veel kleinere woning toegewezen. Er was geen geld meer om kleren te kopen. Ik was wel blij dat de fase van de blauwe plekken voorbij was, mijn vader heeft mijn moeder niet alleen geestelijk mishandeld. De armoede die toen volgde, heeft ons heel creatief en innovatief gemaakt. Voor mijn moeder was het erg belangrijk dat we onze talenten zo veel mogelijk bleven ontwikkelen, dus mijn pianolessen gingen toch door. Ik herinner me hoe mijn moeder en ik ’s avonds bladmuziek met notenbalken tekenden, omdat het te duur was die te kopen. Ik ben ervan overtuigd dat het voor een mens goed is in gepaste armoede op te groeien. Van schaarste leer je creatief en innovatief te zijn.’
‘Ik heb er een goed gevoel aan overgehouden, ook al was die niet gemakkelijk. De buitenwereld vindt het moeilijk te begrijpen dat ik op de positieve kanten de nadruk leg. Maar toch overheerst dat wel voor mij. Ik ben opgegroeid onder omstandigheden die me de gelegenheid hebben geboden me te ontwikkelen, daarvoor ben ik heel dankbaar.
‘Nee, met mijn vader wil ik geen contact meer, vanwege wat hij mijn moeder heeft aangedaan. Maar ik wil hem ook niet veroordelen. Er is veel in zijn leven gebeurd dat hem zwaar heeft getekend. Je moet iemands hele verhaal kennen, voordat je hem kunt beoordelen, vind ik.’
‘Zeker, mijn basic trust is heel groot. Ik noem dat mijn oergevoel, ook al is dat geen gangbare term. Voor mij geeft die aan wat bij mij diep van binnen aanwezig is: een zondvloed aan geluk. Die wordt door de meeste mensen niet begrepen. Ik kan hem ook niet goed beschrijven, maar ik ervaar hem als essentieel. Hij maakt dat ik het bestaan goed vind. Ook op slechte dagen kan ik daarop terugvallen.
‘Mijn fundament is vooral goed, omdat ik weet wie ik ben. Wat me vroeger is overkomen, heb ik in een kader weten te plaatsen en zo weten te relativeren. Dat heeft mijn veerkracht vergroot, waardoor mijn oergevoel zich nog verder heeft kunnen ontwikkelen. Als je dat hebt dan kun je wat van het leven maken en er vooral ook van genieten. Bij dieren die niet meteen van hun moeder en vader zijn verwijderd, zie je dat vermogen ook.’
‘Ik voel me het gelukkigst wanneer dieren zich bij mij veilig voelen, als ze blij in mijn omgeving zijn en zichzelf kunnen zijn. Dat geeft mij het gevoel een goed mens te zijn en maakt me de allergelukkigste mens. Dat is mijn zin in het leven. Ik hoef geen Nobelprijs of miljoenen volgers, nee, het hoogste geluk zit voor mij in de communicatie met dieren. Zoals nu met mijn hond, die zijn poot op mij houdt, waardoor we echt contact hebben.
‘Dieren kunnen ongelooflijk veel liefde en vertrouwen geven. In principe zou ik er nooit ook maar eentje schade willen berokkenen. Ik ben tegen kwaad aan een organisme dat zichzelf niet kan redden. Dat is voor mij de grootste emotionele kwestie in de onderzoeken die we doen, wanneer ik weet dat een muis moet lijden zonder dat hij daarmee heeft ingestemd. De ethische lat leg ik voor mezelf erg hoog. Als ik daaronder zak, ben ik niet meer met mezelf in het reine.’
‘Voor mij staan mens en dier op gelijk niveau, ook al behandelen wij het dier als een onderdaan. Hij is aan ons overgeleverd, dat maakt een dier kwetsbaar, dus moeten we zo zorgvuldig mogelijk met hem omgaan. Daar streef ik ook naar in de zorg voor de patiënten, die ook kwetsbaar zijn. Bovenal wil ik ze een gevoel van veiligheid en respect geven. Als dat lukt… dat is voor mij leven. Dan wordt diepgaand contact mogelijk gemaakt.
‘Maar met onze diersoort heb ik wat dat betreft meer moeite dan met andere diersoorten. Intermenselijk contact vind ik meestal erg oppervlakkig. Mijn indruk is dat mensen vaak onvoldoende in zichzelf gehecht zijn en onvoldoende van zichzelf weten wie ze zijn. Daardoor hebben ze te weinig zelfvertrouwen en zetten ze een masker op. Je moet het goed hebben met jezelf, bevriend zijn met jezelf, wil je open kunnen staan voor anderen. Anders ga je je vooral bezighouden met hoe je op anderen overkomt: wat zouden de buren wel niet denken als ons grasveld geen keurig rechte hoeken heeft? Tegen die stroom roei ik graag in.
‘Een ander probleem dat ik met homo sapiens heb, is zijn destructieve kant. Natuurlijk moet een mens om te overleven enigszins egocentrisch zijn. Maar wij zijn nu zo ver dat we de evolutie, de andere diersoorten, helemaal geen ruimte meer geven. Dat vind ik erg egocentrisch.’
‘Eerlijk gezegd is dat een innerlijke strijd. Als ik met een zuiver biologische bril kijk, kan ik me goed daarvoor inzetten. Dan ben ik graag bezig met het optimaliseren van ons fantastische lichaam om verouderingsprocessen tegen te gaan. Maar ik hanteer tegenwoordig vaker een breder perspectief, zoals wanneer ik de VN adviseer over een duurzame toekomst voor mens én klimaat. Dan is het voor mij zonneklaar dat de geboortestatistieken wereldwijd omlaag moeten – er zijn veel te veel mensen, stop with it!’
‘Nee, dat is geen politiek statement. Ik heb het simpelweg nooit overwogen. Mijn moeder gaf me altijd boekjes waarin ze opdrachten schreef Source: Volkskrant