Wanneer ouders uit elkaar gaan in een vechtscheiding, kan dit ertoe leiden dat het kind het contact met een van de twee verliest. Het recente rapport Rechterlijke instrumenten bij omgangsproblematiek en contactverlies van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) geeft advies over wat rechters kunnen doen om de omgang tussen een ouder en kind af te dwingen in situaties waarin deze ernstig verstoord is.
Maar dit rapport vraagt om een reactie. Van belang is vooral de kwestie wanneer er volgens de onderzoekers juist géén interventie zou moeten worden gedaan, en tijdelijk níét zou moeten worden ingezet op herstel van omgang tussen kind en ouder(s).
Over de auteurs
Cees van Leuven is voorzitter Expertteam Ouderverstoting 2019-2021 en kinderrechter (op persoonlijke titel), Christiaan Landman is directeur Fiduon/vechtscheidingshulp.nl en Louis Tavecchio is lid Expertteam en emeritus hoogleraar pedagogiek.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
In het rapport staat dat deze optie alleen op tafel ligt wanneer ‘a) er al lange tijd hevige strijd is tussen ouders waar het kind last van heeft, en b) het kind zelf weerstand heeft tegen contact met de contact verliezende ouder en zelf zegt geen contact te willen met deze ouder, en c) het kind veilig opgroeit bij de primair verzorgende ouder (en er dus geen sprake is van oudervervreemding)’.
Kortom, alleen als de afwijzing van een ouder door het kind nadrukkelijk níét het resultaat is van wat in de praktijk ‘oudervervreemding’ wordt genoemd, is het volgens de onderzoekers gerechtvaardigd om niet in te grijpen. Dit soort afwijzing door het kind van de andere ouder kwalificeert als parental alienation of ‘ouderverstoting’. Vaak speelt hier mee dat een van de ouders zich tegenover de kinderen zeer negatief uitlaat over de andere ouder.
De onderzoekers verduidelijken hun stelling met het argument dat als een interventie uitblijft, het kind juist volledig in de invloedssfeer van de vervreemdende ouder zou geraken dan wel blijven. Daarmee zou een eventueel herstel van de situatie, bezien vanuit het kind, alleen nog maar onwaarschijnlijker worden.
Maar er is een probleem met de voorwaarden die de onderzoekers stellen. Wat onder a en c staat, is namelijk in tegenspraak met elkaar. Een kind dat bij een ouder woont die de heftige strijd met de andere ouder mede veroorzaakt dan wel in stand houdt, groeit niet veilig op. Ten onrechte signaleert het rapport dit niet.
Anders gezegd, volgens deze redenering vormt heftige ex-partnerstrijd blijkbaar geen belemmering om deze ouders als veilige ouders aan te merken. En dit is onjuist. Onder andere het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het gerechtshof Den Haag hebben ex-partnerstrijd en de effecten daarvan op het kind gekwalificeerd als (voortdurende) kindermishandeling.
Door de manier waarop de onderzoekers er mee omgaan blijft onderbelicht dat ouderstrijd, in wat voor vorm dan ook, haaks staat op en indruist tegen de wettelijke plichten die ouders hebben. Zij dienen ook volgens jurisprudentie juist alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de individuele en gezamenlijke ouderlijke verantwoordelijkheid en zorgplicht normaal functioneren.
Daarnaast hebben ze de plicht om zowel individueel als gezamenlijk voor een vruchtbaar ontwikkelingsklimaat te zorgen voor het kind. Ook hebben ze de plicht om het contact tussen het kind en de andere ouder te bevorderen.
Dit zijn allemaal actieve inspanningsplichten die zwaar wegen en centraal moeten staan in procedures over omgang en gezag. Het niet voldoen aan deze plichten leidt ertoe dat kinderen voor hun leven beschadigd raken, met als gevolg een uit de hand lopend beroep op hulpverlening, jeugdbescherming en familierechtspraak.
In het rapport ontbreekt dus het inzicht dat deze actieve inspanningsverplichtingen niet alleen gelden bij of na een scheiding, maar dat ze ook overeind blijven als een kind één van beide ouders afwijst. Zelfs wanneer er in een uiterste situatie voor ‘rust’ wordt gekozen, is de ouder waar het kind verblijft onverminderd verplicht er alles aan te doen om de band tussen het kind en de andere ouder te bevorderen.
Wanneer daaraan is voldaan, maar de weerstand van het kind toch onverminderd blijft bestaan, dan zullen er wellicht zelfstandige oorzaken in de relatie tussen het kind en de andere ouder zijn, die tot de afwijzing leiden. Het Expertteam Ouderverstoting adviseerde hiernaar goed onderzoek te doen.
Gedurende zo’n onderzoek zou het uitgangspunt moeten zijn dat de omgang juist wordt voortgezet, al dan niet begeleid door professionals. Als dan duidelijk is geworden wat de oorzaak is van die problemen, kan een passende beslissing volgen over hulp, behandeling (van de ouders) en contact, inclusief het eventuele stopzetten daarvan.
Het toekennen van rust door het stoppen van contact met de buitengesloten ouder, zonder dat de oorzaak van de afwijzing van die ouder al bekend is, is een interventie die veelal leidt tot verergering van de omgangsproblematiek. Hierdoor wordt herstel van de band tussen het kind en de ouder juist nóg verder bemoeilijkt. Dat is een zeer onwenselijke situatie, die dus zoveel mogelijk vermeden moet worden.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden