‘Minder marktwerking, meer samenwerking.’ ‘Samenwerken aan gezonde zorg.’ ‘Alleen samen kunnen we de zorg toekomstbestendig maken.’
Het zijn welbekende leuzen in een sector waar de zorgvraag het zorgaanbod op steeds meer plekken overstijgt. Ook in het Integraal Zorgakkoord, de toekomstvisie op zorg, wordt ‘samenwerken’ ruim tweehonderd keer genoemd als dé oplossing voor uiteenlopende problemen. Maar effectief samenwerken is ontzettend moeilijk en zelfs dan geen panacee voor houdbare zorg.
Sterker nog: in de drang naar samenwerking en consensus delven besluitvaardigheid en de nodige daadkracht het onderspit.
Over de auteur
Danka Stuijver werkt als huisarts. Zij schrijft om de week een wisselcolumn met collega-huisarts Rinske van de Goor.
Als huisarts werkte ik in een gezondheidscentrum waar verschillende (para)medici samen in een gloednieuw pand huisden. Een fysiotherapeut, ergotherapeut, logopedist, huisarts, apotheker, diëtist en wijkverpleging; zo ongeveer alle smaken uit de eerstelijnszorg zaten erin. De samenwerking daarentegen ging niet veel verder dan een wekelijkse vergadering over de aanschaf van een plant, wie de afwasmachine uitpakt en de (kosten van de) koffiebonen.
De sfeer was goed, dat zeker, maar was dit dan samenwerken of samen werken? Ik concludeerde ik dat er nauwelijks met, maar vooral in harmonie naast elkaar werd gewerkt. Daar had de architect ook aan bijgedragen. Het peperdure gebouw was zo ontworpen dat er veel ‘contact’ zou zijn tussen hulpverleners. Maar broodnodige en ingewikkelde discussies werden niet gevoerd. En als er dan toch moeilijke beslissingen moesten worden genomen klonk het steevast: ‘Daar ga ik niet over.’ Of: ‘Daar moeten we het nog maar een keer met elkaar over hebben.’
Recent onderzoek van Universiteit Maastricht illustreert hoe een wildgroei is ontstaan aan samenwerkingsverbanden en specialisme- en domein overstijgende netwerken in de gezondheidszorg. Kosten noch moeite worden gespaard, terwijl het vaak niet duidelijk is hoe effectief ze zijn, wat hun meerwaarde is of wat überhaupt het doel is.
Ook bleek uit het onderzoek dat de uitkomsten van samenwerking vaker niet dan wel worden gemeten. Best vreemd in een branche waarin we alles moeten noteren, afvinken en monitoren, vind ik.
We doen dus vaak maar wat. En ook: we gaan maar door. Zelfs als bewijs ontbreekt voor de toegevoegde waarde van een samenwerkingsverband, bijvoorbeeld als het gaat om betaalbaarheid of toegankelijkheid van zorg, dan nog wordt deze niet opgeheven. Samenwerken lijkt daarmee een doel op zichzelf geworden, in plaats van een middel om houdbare en toekomstbestendige zorg te kunnen leveren.
Dit fenomeen wordt in de wetenschappelijke literatuur beschreven als ‘geïnstitutionaliseerd gedrag’: we zien samenwerken en netwerken als iets wat vanzelfsprekend goed is. Daarom checken we vaak niet eens meer of dat inderdaad zo is.
Ik wil absoluut niet zeggen dat we moeten stoppen met samenwerken in de zorg. De problemen zijn zo nijpend dat we elkaar juist keihard nodig hebben. Laat dat duidelijk zijn. Maar ik vind dat we kritischer moeten zijn over de verwachte toegevoegde waarde en de effectiviteit van een samenwerkingsverband zoals regio-organisaties en landelijke stuurgroepen. Het liefst voordat er, naast energie, een heleboel publiek geld in wordt gestoken.
Om succes of effectiviteit van netwerken vast te stellen moet men onder andere monitoren op gestelde doelen zoals gezondheidswinst, kwaliteitswinst en kostenreductie, zo vonden de Maastrichtse onderzoekers. Een belangrijke succesfactor is, denk ik, dat rollen en verantwoordelijkheden duidelijk zijn en dat helder is wie het mandaat heeft om beslissingen te nemen. Want te vaak gaan we binnen een samenwerkingsverband al polderend op zoek naar consensus en een gedeeld belang dat in de zorg juist zo vaak ontbreekt.
Daarbij hebben we, naast tegengestelde belangen, ook te maken met tegenwerkende machten. Zo zijn we binnen netwerken allemaal vóór passende, zinnige en waardegedreven zorg. Roepen we dat we in de zorg ‘de omslag’ moeten maken. Gaan we samenwerken ‘over schotten en domeinen heen’ en zeggen we eensgezind dat ‘het tijd is voor het maken van scherpe keuzes in de zorg’. Om vervolgens als een stel nimby’s te roepen: ja maar niet in mijn vakgebied, niet in mijn ziekenhuis en al helemaal niet op mijn afdeling.
Daardoor monden pogingen tot het nemen van een gezamenlijk besluit vaak uit in een nieuwe discussie in plaats van een concrete oplossingsrichting. En worden samenwerkingsverbanden als een ongrijpbare mist waarachter iedereen zich kan verschuilen.
Source: Volkskrant