Home

Serhii Ploky vertelt de geschiedenis van het imperiale Rusland vanuit een Oekraïens perspectief en kantelt menig beeld

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Rusland-Oekraïne In het nieuwe boek van historicus Serhii Plokhy over de Oekraïens-Russische oorlog blijkt dat die allesbehalve een burgeroorlog is. Zij die dit beweren zijn te kwader trouw.

Driekwart van de Nederlanders vindt dat Rusland de soevereiniteit van zijn buurland had moeten respecteren. Tegelijkertijd wil tweederde niet zelf bij de oorlog in Oekraïne betrokken raken.

Naast het menselijke verlangen om in vrede te leven, is onbekendheid met de regio een van de hoofdredenen voor deze ambivalentie. Voor talrijke West-Europeanen is alles ten oosten van de Karpaten en de westelijke Boeg, daar waar vroeger de Sovjet-Unie lag, nog steeds één pot nat. In die pot draait veel, zo niet bijna alles, om Rusland. Deze krant is daarvan een treffende illustratie. Oekraïense plaatsnamen worden pas sinds een half jaar niet meer naar Russisch voorschrift gespeld. Belarus heet in de kolommen van NRC echter nog altijd Wit-Rusland.

Die onwetendheid is historiografisch van aard. Onze kennis van het verleden van Oost-Europa is Russocentrisch gekleurd. De geschiedenis van het (Sovjet)Russische Rijk is ook in Nederland decennialang met een Moskouse/Petersburgse bril geschreven. Zo was er nooit veel aandacht voor de cruciale, naar nu blijkt fatale, concessie van Oekraïne om in 1994 onder druk van de Amerikanen zijn kernwapens aan Rusland over te dragen, in ruil voor boterzachte ‘garanties’ dat de westerse atoommachten de soevereiniteit Oekraïne zouden beschermen.

Het was dus niet zo gek dat veel Nederlanders aanvankelijk verbaasd waren dat die onbekende Oekraïners zich ineens zo wilskrachtig teweerstelden tegen de Russische overmacht. Ook experts toonden zich na de eerste fiasco’s van Rusland hogelijk verrast. Die verbazing had voorkomen kunnen worden als ze meteen na het eerste begin van de Russo-Oekraïense oorlog in 2014 bewuster waren geweest van hun gebrek aan kennis, de klassieke historische canon even terzijde hadden gelegd en op onderzoek waren gegaan bij historicus Serhii Plokhy.

Serhii Plokhy (1957) – geboren in Nizjni Novgorod, getogen in Zaporizja, opgeleid in Dnipro en sinds 2007 werkzaam bij Harvard University – is de belangrijkste Oekraïense historicus van dit moment. Onlangs verscheen zijn The Russo-Ukrainian war. Eerder schreef hij Chernobyl, een monografie op basis waarvan HBO de gelijknamige miniserie maakte. Zijn boeken Lost Kingdom en The Gates of Europe verschenen in Nederland ook in vertaling.

In Het verloren koninkrijk schetst Plokhy de geschiedenis van het imperiale Rusland nu eens niet met een Russische blik, maar vanuit een Oekraïens perspectief. Zo kantelt hij menig beeld. Veel West-Europese lezers zijn opgegroeid met het Russische verhaal dat Kyiv de ‘bakermat’ van de Russische-orthodoxe kerk is, maar zijn greep verloor toen de stad in 1240 door de Tataren onder de voet werd gelopen. Plokhy nuanceert dat. Ook na het verlies van zijn politieke positie bleef Kyiv in de theologie eeuwenlang een voorsprong houden op het centrum Moskou, waar het patriarchaat zich tot op de dag van vandaag liet koeioneren door de wereldlijke macht.

In De poorten van Europa gaat Plokhy een stap verder. Hij schildert in dit boek de Oekraïense geschiedenis nadrukkelijk in een Europese context. Karel de Grote en Lodewijk XIV zijn volgens hem net zo relevant voor een beter begrip van het verleden als Ivan de Verschrikkelijke, die om dynastieke redenen de legende verzon dat hij de opvolger van vorst Vladimir van Kyiv was, of Catherina de Grote, die de kolonisatie van Oekraïne voltooide en voortleeft in Poetins dromerij over een Novorossija aan de Zwarte Zee.

Helder beschrijft Plokhy hoe Oekraïne sinds de kerstening in 988 niet alleen een ‘poreus’ grensland was tussen imperiale grootmachten – Pools Litouws Gemenebest, Habsburgse, Ottomaanse en Russische Rijk– maar ook een eigen geschiedenis had. Zowel taalkundig, religieus, cultureel, demografisch, bestuurlijk als sociaaleconomisch bleven de Oekraïense landen zich door de eeuwen van Rusland onderscheiden. Russen waren ook helemaal niet zo superieur als ze zelf dachten. Niet alleen theologisch, maar ook op andere terreinen was Oekraïne intellectueel veel autonomer dan Sint-Petersburg en Moskou wilden weten. Ten tijde van Catherina de Grote waren er bijvoorbeeld twee keer meer Oekraïense artsen dan Russische dokters in het immense rijk.

Poetins dogma dat Oekraïne onlosmakelijk deel is van de ‘duizendjarige geschiedenis’ van Rusland is een mythe, toont Plokhy aan. Dat bewijs levert hij als een klassieke vakman. Nooit verliest hij zich in activistische verongelijktheid. Imperiale historici uit de klassieke school worden door hem slechts uitgedaagd, niet uitgescholden.

In The Russo-Ukrainian War heeft Plokhy wat minder aandacht voor ‘longue durée’ dan in De poorten van Europa. In dit actuele boek concentreert hij zich op de geschiedenis sinds de onafhankelijkheid van 1991 en vooral op de oorlog die Rusland in 2014 begon en in 2022 naar een verzengende climax voerde.

Door deze politieke-militaire focus komen de demografische, economische, sociale en culturele aspecten van het moderne Oekraïne wat minder tot hun recht. Plokhy laat zien hoe de teloorgang van de onrendabele mijnbouw en metaalindustrie in de Donbas in het oosten de sociale verliezers schiep die in 2014 met een kalasjnikov in de hand de Russische interventiemacht zouden gaan helpen. Maar hij heeft minder aandacht voor de betekenis van de opkomende dienstensectoren in Kyiv en hoogwaardiger industrieën langs de Dnipro. De rol van de geschoolde jeugd, die voor zichzelf meer toekomst ziet in Europa dan in Rusland, komt er eveneens wat bekaaid af. En ook neofascistisch rechts, dat sinds de Majdan van 2013-2014 overigens aan macht heeft ingeboet en minder zetels in het 450-koppige parlement heeft dan hier in de Tweede Kamer, wordt slechts aangestipt, terwijl hij in De poorten van Europa wel uitvoerig ingaat op het antisemitisme in Oekraïne.

Toch komen er komen veel langere lijnen uit Plokhy’s oeuvre in dit boek samen. Het Kremlin is bijvoorbeeld zijn dédain én angst voor Oekraïne ook na 1991 nooit te boven gekomen. Dat onvermogen van Rusland heeft zijn wortels in de Romantiek.

Het Weense Congres (1814-1815) hield geen rekening met de nationale aspiraties die door de Franse revolutie en de Napoleontische oorlogen in Midden- en Oost-Europa de kop hadden opgestoken. Ook in Oekraïne ontstond een beweging die eerst alleen culturele eisen stelde, maar gaandeweg ook politieke emancipatie nastreefde.

Rusland reageerde daarop met imperialistisch nationalisme. Geconfronteerd met de Poolse opstand (1830-1831) tegen het Russische bewind in Warschau – een groot deel van het Poolse-Litouwse gemenebest was na drie delingen (1772-1795) en de Napoleontische oorlogen (1803-1815) in handen van de tsaar gekomen – formuleerde een minister van Nicolaas I een nieuwe Russocentrische staatsideologie voor het rijk: in plaats van ‘God, vorst en vaderland’ moest de onderdanen zich voortaan voegen naar de drie-eenheid ‘orthodoxie, autocratie en natie’.

Deze triade werd ook ingezet om de Oekraïners (en Belarussen) gelijk te schakelen. Eerst werden hun eigen kerken onderworpen aan het Moskouse patriarchaat. Daarna kwam de cultuur aan de beurt. En uiteindelijk verbood tsaar Alexander II in 1876 per decreet alle publicaties in het Oekraïens.

Soms namen Sint-Petersburg/Moskou wat gas terug en mochten de ‘klein-Russische’ Oekraïners hun eigen ‘wortels’ wat meer koesteren. Het had geen effect. Nadat Oekraïne na de Oktoberrevolutie kortstondig onafhankelijk was geweest, probeerde Jozef Stalin de Oekraïense identiteit echt kapot te maken. Zijn gewelddadige collectivisatie van de traditioneel vrijere Oekraïense boeren leidde begin jaren dertig in de Sovjetrepubliek en na 1945 in de veroverde westerse regio’s tot ‘hongermoord’. Maar zelfs deze genocidale terreur bood geen soelaas, bleek uit de volkstellingen die sinds 1897 werden gehouden. In 1920 had slechts 17 procent van de inwoners van het toenmalige Oekraïne zichzelf Rus genoemd. Bij de volkstelling van 1979, de laatste census vóór de glasnost van Gorbatsjov, identificeerde niet meer dan 21 procent van de bewoners zich als Rus. Het politiek-culturele afscheid van de Oekraïners was in de decennia daarna niet meer te stuiten. In 2017, drie jaar na het begin van de oorlog, was het percentage Russen in Oekraïne volgens sociologisch onderzoek gedaald tot 6 procent.

De weerbarstigheid van de Oekraïners onder de tsaar en de partijleiders in respectievelijk de 19de en de 20ste eeuw en de gestage opmars van een eigen staatsburgerschap in de 21ste eeuw hadden niet alleen te maken met hun verzetscultuur, maar ook met de in 1991 verworven onafhankelijkheid. Voor het eerst in de geschiedenis sinds 1917 kon Oekraïne zijn eigen soevereiniteit vormgeven. Snel werden de onderliggende verschillen met Rusland duidelijk. Zowel politiek, economisch als sociaal-cultureel.

In Rusland raakten de elites na 1991 getraumatiseerd door de ondergang van het imperium. Ze kenden hun plaats pas weer toen Poetin tien jaar later de centrale machtspiramide herstelde. In Oekraïne wisten de elites juist te profiteren, omdat ze even geen Russische concurrenten hadden. De veelvormigheid van het land voorkwam vervolgens een oligarchisch monopolie als in Rusland.

Terwijl Rusland twee jaar na de ontmanteling van de Sovjet-Unie in politieke chaos verzandde en, na een gewapende muiterij van het parlement, ee Source: NRC

Previous

Next