Home

Hij had weinig van een zwerver: geen baard, rotte tanden of plastic zakken vol armetierige bezittingen, wél een meloen

Het was 8 uur ’s avonds, en warm. Onderweg naar de supermarkt voor een vergeten pak wc-papier passeerde ik een man met een hond en een watermeloen. De man zat gehurkt in het portiek van een gesloten beddenspeciaalzaak. De hond, een Duitse herder, lag naast hem en keek naar de man zoals herdershonden naar hun baas kijken.

De man leek op Roald Dahl. Niet onknap, kalend, een jaar of 40, cynische wenkbrauwen. Hij hield de meloen op de toppen van zijn vingers voor zijn gezicht, zoals Hamlet met dat doodshoofd. (‘Alas, poor Yorick! I knew him, Horatio: a fellow of infinite jest, of most excellent fancy...’)

Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.

Terwijl ik nieuwsgierig toekeek nam de man de meloen in beide handen en sloeg hem met berekenende kracht tegen de stoep, waardoor de meloen openbarstte. Het rode, glinsterende binnenste kwam te zien. De man trok de meloen in tweeën, en sloeg een helft andermaal met de schilkant op de stoep, tot die ook brak. De hond ging alert rechtop zitten terwijl de man gretig in het stuk meloen beet. Het kraakte sappig. Ik kreeg er dorst van.

Ook de hond toonde onrust, maar hij werd beloond. De man schraapte met zijn vingers de pitjes uit een stuk meloen en gaf het aan de hond, die met smaak toehapte. De man, die mij zag kijken, glimlachte en zei in het Duits: ‘De pitten zijn niet goed voor honden. Voor hun maag.’ Hij rook naar drank en zijn schaarse haar was wat warrig, maar verder had hij weinig van een zwerver. Geen baard, rotte tanden of plastic zakken vol armetierige bezittingen. Hij droeg zelfs een min of meer wit overhemd, waarvan de mouwen inmiddels met meloensap bevlekt waren.

Nogmaals beet hij in het sappige, rode meloenvlees. De hond knaagde, zijn poot op de schil. ‘Heeft u geen mes?’ vroeg ik. Een Duitser spreek je niet zomaar met ‘jij’ aan. Daarvoor moet je eerst zo ongeveer met hem in bed liggen en dat was ik niet van plan. Met een verontschuldigende glimlach schudde de man zijn hoofd.

Ik liep door, de supermarkt in. Ik kocht, behalve wc-papier, ook een watermeloen, waar ik vreselijke zin in had gekregen. Ook kocht ik voor 59 cent een aardappelmesje. Toen ik weer buitenkwam, waren de man, zijn hond en de meloen verdwenen. Alleen de pitten lagen nog op de stoep.

Thuis slachtte ik hebberig mijn meloen. Hij bleek onrijp en smakeloos. En aan dat mesje heb ik niets: ik hád er al drie.

Source: Volkskrant

Previous

Next