Het aantal leerreparateurs krimpt. Aan de vraag ligt het niet: die neemt juist toe, door dalende koopkracht en het streven naar duurzaamheid. Dus waarom staat ook dit ambacht, als zo veel andere, onder druk? Langs bij de oude rot en de – beperkte – jonge aanwas.
‘Ze vinden me nog eens dood tussen de tassen.’ Tassenreparateur Cees Quist (68) grijnst van onder zijn witte haar. Hij zit aan de grote werktafel in zijn atelier in Capelle aan den IJssel, dat een verdieping van zijn rijtjeshuis beslaat. Elke kamer staat van onder tot boven vol met koffers en tassen, met kapotte hengsels, gescheurde naden of vastgelopen ritsen. Een smal paadje loopt van de werktafel naar de voordeur, waar een rij opgeknapte exemplaren op hun eigenaars staan te wachten. Quist wijst om zich heen. ‘Ik breek mijn nek zowat over de klussen. Maar goed, mocht dat gebeuren, dan kan men in elk geval zeggen dat ik in het harnas gestorven ben.’
Quist zit al meer dan een halve eeuw in het vak, maar heeft het drukker dan ooit, vertelt hij. De dalende koopkracht heeft reparaties aantrekkelijker gemaakt in verhouding tot nieuwe aankopen en steeds meer klanten laten hun spullen uit duurzaamheidsoogpunt opknappen. Wat ook meespeelt: steeds minder mensen doen wat Quist doet. ‘Hier in de buurt zaten vroeger nog elf andere lederwarenherstellers’, zegt Quist. ‘Nu ben ik de enige.’ De afgelopen jaren zag hij alle reparateurs in zijn omgeving vertrekken. Er kwamen geen nieuwe zaken bij.
Dat is niet uniek voor Capelle aan den IJssel. In de afgelopen tien jaar daalde het aantal reparateurs van schoenen en tassen in Nederland met 12 procent, zo blijkt uit cijfers van de Kamer van Koophandel. Er staan nog ongeveer zevenhonderd herstelbedrijven op de kaart. Volgens de Nederlandse Schoenmakers Vereniging (NSV) zelfs nog minder, eerder vijfhonderd. Tegelijkertijd lijkt de behoefte aan reparateurs juist te stijgen, zeker nu de Europese Commissie het recht op reparatie in de EU uitbreidt als onderdeel van het duurzaamheidsbeleid. Het ambacht zou van die ontwikkelingen kunnen profiteren. In plaats daarvan staat het onder druk.
Die impressie krijg je niet als je binnenstapt bij de Dutch Shoe Academy, de Nederlandse academie voor schoenontwikkeling en schoenherstel. Die valt onder de Dutch HealthTec Academy, een mbo-school voor gezondheidstechniek met een groot gebouw op een Utrechts bedrijventerrein. Zo krap en vol als het atelier van Quist is, zo riant is dit complex. In de lokalen van de opleiding schoenherstel staan geen oude Singers, maar loodzware stik-, snij- en poetsmachines. In het midden staan een stuk of tien studenten aan hun werkbanken. Ze lijmen, hameren en polijsten. Vier dagen per week lopen ze stage bij een leerbedrijf om de dagelijkse praktijk onder de knie te krijgen, een dag per week zijn ze hier.
Student Louis ter Maaten (16) hangt zijn hamer in zijn zelfgemaakte leren schort. Hij kwam vorig jaar binnen bij de academie, vertelt hij. De middelbare school was niks voor hem – te veel met zijn neus in de boeken. Maar hij had wel plezier in zijn bijbaan bij een schoenmakerij, dus besloot hij naar de Dutch Shoe Academy te gaan. Hij houdt van het werken met zijn handen, zegt hij.
Dat geldt ook voor Britney Godeke (21), die eigenlijk verpleegkundige wilde worden, maar door haar vriend – ook schoenmaker – werd overgehaald om het ambacht eens te proberen. Godeke was na één dag al om. ‘Ik dacht dat schoenmakers alleen maar achter de machines stonden, maar je doet veel meer’, legt Godeke uit. ‘Je verzorgt de afwerking, hebt contact met klanten. Ik vind het prachtig.’
De studenten zijn stuk voor stuk gemotiveerd en trots op hun vak. Het probleem: ze zijn met te weinig, ook al is de Dutch Shoe Academy de enige school voor schoenherstel in Nederland. ‘Jaarlijks komen er ongeveer tien aanmeldingen binnen’, zegt Gezina van der Kolk, teamleider bij de academie. Vorig jaar waren dat er zelfs minder dan tien, vertelt ze, waardoor er geen klas kon starten. Kortom, de aanwas is klein, te klein in elk geval om de vraag naar nieuwe werknemers bij te benen.
Het tekort aan personeel is een van de belangrijkste oorzaken van het dalende aantal herstelbedrijven. Docent Eddie Welkamp, die een schoenmakerij heeft in Aalten, kan erover meepraten. Toen zijn vaste collega ziek werd, moest hij vier jaar zoeken naar een geschikte stagiair die het werk kon verlichten, vertelt hij. Ook bij andere bedrijven ziet hij problemen. Collega’s die stoppen en hun zaak willen overdoen, vinden geen opvolgers en sluiten de tent.
Waarom stoppen lederwarenherstellers überhaupt? Vergrijzing is een belangrijke oorzaak, zegt Margret Hoekenga-Idema, secretaris van de NSV. Maar het is zeker niet de enige. Veel herstellers hebben moeite om hun bedrijf gezond te houden. Zo ook schoenmaker Marleen Dijkhof, die in 2016 een schoenmakerij opende in Amsterdam-Noord met dezelfde instelling als de Europese Commissie: repareren is verduurzamen. Direct na de opening was er al veel aanloop.
Met de jaren stapelden de uitdagingen zich echter op. Om te beginnen stegen de kosten, voor materialen, winkel, energie en arbeid. Vooral de stijgende lonen vielen Dijkhof zwaar. Arbeid is waar herstelbedrijven hun geld mee verdienen, maar het is vaak ook de grootste kostenpost. Al snel moest Dijkhof afscheid nemen van haar enige collega. In haar eentje hield ze maar net het hoofd boven water.
‘Mensen zeiden weleens: dan neem je toch een stagiair? Maar de tijd die het kost om iemand op te leiden, heb ik hard nodig om geld te verdienen’, zegt Dijkhof. Bovendien moeten leerbedrijven stagiairs een volledig salaris betalen. Volgens Dijkhof gaat het om een investering van zo’n 25 duizend euro per jaar. Daarvan wordt maximaal 2.700 euro gesubsidieerd door de overheid vanuit de Subsidieregeling Praktijkleren. Dat is volgens Dijkhof ‘veel te weinig’.
De inkomsten groeiden bovendien niet mee. Dat had te maken met een andere ontwikkeling. ‘Er zijn de afgelopen jaren steeds meer goedkope schoenen en tassen op de markt gekomen’, legt Dijkhof uit. ‘Die zijn van slechtere kwaliteit: ze vallen snel uit elkaar en zijn moeilijk te repareren. Dat is vooral bij sneakers het geval. Klanten verwachten dat ze die spullen dan ook goedkoop kunnen laten repareren, maar zo werkt het niet.’ Dijkhof probeerde dat haar klanten uit te leggen, zegt ze, maar die reageerden snel geïrriteerd of zeiden hun schoenen liever weg te gooien. Dijkhof: ‘Soms repareerde ik ze dan toch, voor een lage prijs. Het voelde als een gevecht tegen de prullenbak.’
Die frustratie leeft bij meer schoenmakers, vertelt Margret Hoekenga-Idema, secretaris bij de NSV. ‘Het probleem is dat de waarde van hun werk door consumenten niet wordt afgelezen aan de hoeveelheid arbeid, maar aan de waarde van het ding dat ze repareren. Een stiknaadje van 4 euro vinden klanten snel duur voor een goedkope schoen.’ Voor dat stiknaadje moet een schoenmaker garen uitzoeken, een machine afstellen, zorgvuldig stikken, afwerken… Dat kost tijd.
Ambachten worden in Nederland over het algemeen onvoldoende op waarde geschat, zegt hoogleraar culturele economie Arjo Klamer. Dat was niet altijd zo: tot twintig, dertig jaar geleden waren ambachten in Nederland beter beschermd en georganiseerd. ‘Maar liberale overheidspartijen wilden af van beschermde beroepsgroepen en de markt zijn werk laten doen, waardoor er veel concurrentie is ingestroomd vanuit het buitenland’, legt Klamer uit. Tegelijkertijd werd in Nederland ingezet op een kennissamenleving, zegt hij, met als gevolg dat jonge mensen steeds vaker werden aangezet om een theoretische opleiding te gaan doen in plaats van een praktische. Mede daarom stokken nu de aanmeldingen bij de Dutch Shoe Academy.
Het wordt duidelijk dat de balans is doorgeslagen, zegt Klamer. ‘Er is een tekort aan mensen die met hun handen kunnen werken en dat tekort wordt steeds nijpender.’ Niet alleen particulieren die een schoen, fiets of afvoerpijp willen laten repareren hebben nood aan vakmanschap, de vraag bestaat ook bij bedrijven. Nu al worden schoenen- en tassenherstellers geregeld ingeschakeld om geretourneerde exemplaren of productiefoutjes te fiksen. Naarmate het recht op reparatie wordt uitgebreid, groeit die vraag naar verwachting alleen maar. Dat lijkt ook tot de overheid door te dringen: er komt geleidelijk meer aandacht voor vakmanschap. Zo werd in oktober vorig jaar bekendgemaakt dat het kabinet tot en met 2027 jaarlijks 367 miljoen euro extra steekt in het verbeteren van de kwaliteit en de gelijkwaardigheid van het mbo.
De vraag blijft of dat genoeg is om de sector weer te laten floreren. Daarvoor zijn ook investeringen nodig in ondernemerschap, zegt NSV-secretaris Hoekenga-Idema. De schoenmakersvereniging ijvert voor het verhogen van de Subsidieregeling Praktijkleren: hoewel de lonen zijn gestegen, is het subsidiebedrag sinds de introductie van de regeling in 2013 niet omhooggegaan. Daarnaast probeert de NSV met campagnes het lederwarenambacht onder de aandacht te brengen, zeker nu het aantal bedrijven daalt.
Het team van de Dutch Shoe Academy doet ook zijn best om de academie in de spotlight te zetten. Geregeld zijn er open dagen en de academie heeft een Instagramaccount waar foto’s en filmpjes worden geplaatst van studenten die technieken demonstreren, en dan niet alleen traditionele technieken als stikken en polijsten. Op een van de filmpjes spuit een student een paar sneakers schoon, in een wolk van stoom en hiphopmuziek. Sneakers zijn een aandachtspunt van de academie geworden, ve Source: Volkskrant