N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
De hond zag de worm eerder dan ik. Even daarvoor waren we weggesprongen voor twee mountainbikers op het smalle bospad. Dat avontuur had onze vriendschap bezegeld. Ze kwispelde, keek trouwhartig omhoog; ik aaide haar en zei „braaf, Lucy, braaf”. Toen snuffelde ze verder over het pad, tot ze op de kronkelende worm stuitte. Of beter gezegd: de twee kronkelende helften van de worm. Een fietsslachtoffer.
„Af, Lucy, af”, zei ik. En, toen ze aan de worm voorbijliep, „braaaaaaf” – mijn hondentaalrepertoire was nog beperkt. Machteloos keek ik naar de helften die door het gekronkel steeds verder van elkaar verwijderd raakten. Echt gelijk waren ze niet, de ene ongeveer twee keer zo lang als de andere, en opvallend donkergrijs van kleur. Met een stokje probeerde ik kop bij staart te duwen, of staart bij kop, het leek me fijner om zoveel mogelijk als één geheel te sterven dan in twee delen. In het fabeltje van de gekliefde regenworm die vrolijk verder leeft geloofde ik al lang niet meer. Maar de lijmpoging mislukte: kop en staart bleven in tegenovergestelde richting bewegen.
„Kom, Lucy, kom”, riep ik. Weer die trouwe, bruine ogen, alsof we al jaren vriendinnen waren, terwijl mijn week als hondenoppas in België pas die ochtend was ingegaan. Haar baas had voor vertrek een drie pagina’s tellende instructie achtergelaten. „Lucy heeft verlatingsangst: ze kan niet lang alleen zijn, heeft veel nood aan nabijheid”, stond bovenaan, en mede daardoor was ik direct aan haar gehecht geraakt. In voorbije relaties was bij mij immers ook weleens een soortgelijke angst bovengekomen. Het liefst wilde ik ze vergeten, die keren dat ik me had vastgeklampt aan een vertrekkend vriendje, maar in Lucy’s bijzijn leken die episodes opeens minder gênant.
‘Het was natuurlijk geen echte regenworm”, zei ik, terwijl we langs een rogge-akker liepen. De zwaluwen vlogen laag, er was onweer op komst. „Zo grijs, zo glad…” Even later riep ik uit: „Misschien was het een hazelworm, Lucy, mijn eerste hazelworm!” Weer gekwispel, zij net zo enthousiast als ik. Op mijn telefoon zocht ik naar informatie. Kleur en lengte leken passend. Geen échte worm, maar een pootloze hagedis. Een soort die wel degelijk in staat is om z’n staart te laten vallen en vrolijk verder te leven.
Op de terugweg waren beide helften verdwenen. Weggekronkeld of opgegeten? Thuis nestelden Lucy en ik ons op de bank, dicht tegen elkaar, zij op haar favoriete dekentje, ik eronder. Terwijl het bliksemde las ik haar voor uit een wetenschappelijk artikel over ongeslachtelijke voortplanting bij een dierentuinkrokodil: een vrouwtje dat al zestien jaar geen soortgenoot had gezien, en desondanks een volgroeide maar doodgeboren foetus voortbracht. „Die is pas écht alleen”, zei ik, en stond op om naar de wc te gaan. Toen ik twee minuten later terugkeerde, was Lucy door het dolle heen. Kwispelend en kronkelend draaide ze rondjes om haar eigen as, alsof zij de hazelworm was, en ik de teruggekeerde staart.
NieuwsbriefNRC Wetenschap
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
U kunt ons via dit formulier informeren over taalfouten of feitelijke onjuistheden, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken worden niet gelezen.
Source: NRC