Als liefhebber van de Nederlandse Waddeneilanden ben ik de laatste tijd nogal ontrouw geweest. Vorig jaar ging ik zelfs naar Juist, een Duits Waddeneiland dat niet alleen per boot, maar ook per vliegtuigje te bereiken is. Ik lag er heerlijk aan het strand tussen de Duitsers, die tot mijn verrassing geen kuilen groeven. Kennelijk doen ze dat alleen in Zandvoort.
Deze week keerde ik terug op mijn schreden en voer naar Schiermonnikoog. Lang was ik er niet meer geweest en ik moest denken aan mijn eerste eilandbezoek, 51 jaar geleden. In die dagen was de veerpont vanuit Lauwersoog nog moeilijk bereikbaar, zeker in de winter. Op drie uur ’s middags was het na Dokkum al pikkedonker en gierden sneeuwstormen over de smalle wegen. Over de angst de boot te missen heeft H.J.A. Hofland nog een horrorboekje geschreven. Ondanks alle gevaren lukte het ons 51 jaar geleden de boot te halen.
Rond Oud en Nieuw hadden we een huisje gehuurd. We, dat waren mijn eerste liefde en ik. We waren smoorverliefd op elkaar, dacht ik, maar ik zou op het eiland een paar harde levenslessen voor de kiezen krijgen. Het dorp was toen een bastion van de plaatselijke bevolking, die de Duitse bezetting nog vers in het geheugen had. Toeristen werden gedoogd in een enkel hotel of vakantiehuisje, ze mochten niet verder fietsen dan naar de Kobbeduinen.
Toen we ons huisje hadden ingericht, kreeg ik plotseling een enorme kriebel in de schaamstreek. Ik was nog zo groen als gras en het kwam gewoon niet bij mij op wat het zou kunnen zijn. De volgende dag werd het zo erg dat ik besloot de arts van het eiland te raadplegen. Hij woonde in een echt doktershuis en luisterde naar mijn klachten. Hij vroeg waar ik vandaan kwam.
Uit Amsterdam.
‘Aha’, zei de dokter.
Getrouwd? Nee, dat niet, maar ik heb wel een vriendin van wie ik veel houd.
‘Aha’, zei de dokter, ‘laat dan de broek maar eens zakken.’
Toen ik dat gedaan had en hij het euvel van dichtbij had bekeken, zei hij met een grijns die ik nooit ben vergeten: ‘U heeft platjes.’ Daar stond ik met afgezakte broek op een eiland waar de bewoners het mij nooit zouden vergeven dat ik een besmettelijke ziekte had gebracht, zoals de Spanjaarden dat hadden gedaan met syfilis bij de Azteken.
Platjes is een verschrikkelijk smerig woord. Ik dacht aan mijn geliefde die een paar huisjes verder op het eiland zat en in mijn benauwenis wist ik één ding heel zeker: ik kon niet degene zijn die was vreemdgegaan. Van de arts kreeg ik een fles geel spul mee, plus de mededeling dat ik dit met mijn vriendin moest bespreken. Mijn hoopvolle vraag of je het misschien ook van de wc kon oplopen, boorde hij de grond in door krachtig nee te schudden.
Bij deze misstap onzerzijds bleef het niet. In hotel Van der Werff, toen nog bestierd door juffrouw Dien en nog niet overstroomd door Amsterdammers, hoorden wij dat het weekend op het eiland gejaagd zou worden. Prins Bernhard kwam weleens langs met zijn geweer en het gerucht ging dat dit keer jonkheer Röell als tafelpreses van het gezelschap zou optreden.
Vanuit een telefooncel hebben wij toen gebeld met Ben Haveman, destijds sterverslaggever van de Volkskrant. Hij arriveerde met de eerste boot en meldde zich aan als drijver. Zijn stuk zou de jacht op Schier voorgoed veranderen. Hij beschreef hoe jonkheer Schimmelpenninck en graaf Van Limburg Stirum, beiden uit Olst en de laatste getooid met een zuidwester, hun postuur met enige moeite in de jeep hesen om deel te kunnen nemen aan de jachtpartij.
Niet van de jachtpartij, maar van het Volkskrant-stuk is nog jarenlang schande gesproken. Sinds Ben over de jacht schreef, heeft het eiland zijn onschuld verloren. Toen is ook de intocht van Amsterdammers begonnen. Tegenwoordig wordt er niet meer gejaagd. De laatste jager die beweerde dat het ‘neerknallen van een fazant voelt als een doelpunt van Johan Cruijff’ is overleden.
Op Schiermonnikoog is de afgelopen vijftig jaar veel veranderd, maar veel is ook hetzelfde gebleven. Ben Haveman kon nog schrijven ‘dat het dorp dommelt rond het standbeeld van de Schiere of Cisterciënzer monnik’. De monniken op het eiland waren decennialang even uitgestorven als de sneeuwuil, maar sinds een paar jaar zijn zij terug. Enige jaren geleden is weer een gemeenschap gesticht en ik zag met eigen ogen hoe een monnik in pij, met een koord om zijn middel, over het schelpenpad liep.
Met mijn eerste geliefde is het overigens nooit meer goed gekomen. De sneeuwuil, die in 2014 werd gesignaleerd, was vermoedelijk ontsnapt uit gevangenschap.
Source: Volkskrant