Zoals wel vaker de laatste tijd, kwam tijdens de lunch de aanstaande verhuizing ter sprake. Terwijl ik een ei pelde vertelde ik wanneer we de sleutel krijgen en wat er nog allemaal gebeuren moet. ‘Kun je een beetje klussen?’, vroeg iemand. Het ligt er maar net aan wat je onder klussen verstaat. Ik kan niet stuken, of tegels zetten, of een zolder isoleren. Maar ik heb wel eens een laminaatvloer gelegd en ik kan schilderen, dat soort dingen.
‘Nou ja’, zei ik, ‘ik kan een lamp ophangen.’ Ik strooide zout over het eitje. ‘Een lamp ophangen is geen klussen’, zei iemand anders. Iemand die waarschijnlijk zelf nooit een lamp heeft opgehangen en dus ook nooit is vergeten de stroom eraf te halen waardoor ze zichzelf ook nooit bijna geëlektrocuteerd heeft. Maar of een lamp ophangen nou wel of niet onder klussen valt, doet er niet toe. Het punt is dat ik best handig ben, maar geen geduld heb. Het klussen zelf gaat me uitstekend af, als alles tenminste voorspoedig verloopt. Maar klussen verloopt nooit voorspoedig en het probleem is dat ik bij de eerste de beste piepkleine tegenslag ontsteek in een woede die alleen geblust kan worden door iets te kapot te maken.
Dat kan van pas komen, bijvoorbeeld als je in een huis aan het klussen bent waar ook dingen gesloopt moeten worden. Beneden gordijnen ophangen en als dat even fout gaat, snel naar boven rennen om daar net zo lang behang van de muur te scheuren totdat de zielenrust is teruggekeerd. Dat is goed en lang vol te houden, maar het valt of staat met het te verrichten sloopwerk. Als dat eenmaal gedaan is, ontkom je er niet aan om dingen te slopen die je net hebt gemaakt.
Zo kun je verstrikt raken in een oneindige cyclus van klussen-slopen-klussen-slopen. Dat is circulair en grappig, maar niet bepaald duurzaam of economisch. Het komt er dus kort gezegd op neer dat ik wel de vaardigheden van een klusser heb, maar niet de karaktereigenschappen. Dat maakt mij ongeschikt als klusser. Vergelijk het met een psycholoog zonder inlevingsvermogen, een piloot met vliegangst of een kunstenaar zonder fantasie. Als mensen mij vragen of ik kan klussen, moet mijn antwoord eigenlijk zijn: nee.
Dus toen ik een paar dagen geleden met een goede vriend had afgesproken en het gesprek na zijn aanstaande 40ste verjaardag, onze relaties, zijn nieuwe hondje en ons beider werk uiteindelijk bij de verhuizing kwam en hij die ene onvermijdelijke vraag stelde, legde ik uit wat ik zojuist hierboven heb uitgelegd en concludeerde: ‘Nee, ik kan niet klussen.’ Hij keek me aan. Een zachte, geamuseerde glimlach op zijn gezicht. Even bleef het stil. ‘Maar kun je een lamp ophangen?’
Source: Volkskrant