Op 25 oktober 1944 gaat Dick Verkijk in Haarlem samen met zijn vriend en overbuurjongen Dik van den Haak lopend op weg in zuidelijke richting, naar de ‘Engelse linies’. In het huis aan de Zaanenlaan in het noorden van de stad heeft hij ’s morgens vroeg een brief achtergelaten voor zijn ouders en zijn zusje Nettie. Hij is pas 15.
‘Ons plan is tot in de puntjes uitgewerkt’, schrijft hij. De twee vrienden hebben 100 gulden ‘bijeengescharreld’ en de afgelopen weken voor hun tocht surrogaat-thee, suiker, boter, een pakje sigaretten en een paar blikjes groentensoep verzameld, plus een ‘noodtent’. Als ze het bevrijde deel van Nederland hebben bereikt, laat hij weten, zullen ze een bericht sturen naar de Haarlemse editie van een verzetskrant, De Vrije Pers.
Over de auteur
Paul Onkenhout werkt sinds 1990 als verslaggever en columnist voor de Volkskrant. Hij schrijft over media, muziek en voetbal.
Verkijk doet de hartelijke groeten aan alle jongens en meisjes in de buurt. ‘Een stevige poot voor jullie en een kusje voor Nettie. Tot ziens in een bevrijd Nederland en in een bevrijd Haarlem!’ De afsluiting, ‘O.Z.O.’, ‘Oranje Zal Overwinnen’, voorziet hij van drie uitroeptekens.
Als hem bijna tachtig jaar later wordt gevraagd hoe de tocht is afgelopen, schalt de lach van Verkijk, bijna 94 inmiddels, door de woonkamer van het huis in de Zaanenlaan. Dik van den Haak sloeg al op de Kinderhuissingel in het centrum van Haarlem linksaf in plaats van rechtsaf, vertelt hij.
‘Hij vond de rugzak met de tent te zwaar. Uiteraard bood ik aan de rugzak over te nemen, maar daar wilde hij niet aan. We waren ’s morgens om vier uur vertrokken en we waren om vijf uur weer thuis.’ Zijn ouders hadden niets gemerkt. Pas na de oorlog liet hij de brief lezen.
De Tweede Wereldoorlog en de bezetting door de Duitsers hebben Verkijk nooit losgelaten. Ze vormden zijn opvattingen en werden de krachtige motor in een omvangrijk journalistiek oeuvre dat hij sinds de jaren zestig opbouwde met tv- en radioreportages voor de Vara (Achter het Nieuws), de VPRO en de NOS en verhalen in Het Vrije Volk, Vrij Nederland en Het Parool. Vrijwel alle (negen) boeken die hij schreef, zijn gerelateerd aan de oorlog.
Zijn werkterrein werd Oost-Europa; hij steunde als journalist het verzet tegen de communistische dictaturen. Verkijk gaf met artikelen en reportages sinds de jaren zestig een stem aan dissidenten en verdrukten in vrijwel alle landen achter het IJzeren Gordijn. In 1970 werd hij in Praag gearresteerd door de geheime dienst en een week vastgezet, in alle landen in het Oostblok kwam zijn naam op een zwarte lijst te staan, overal zaten inlichtingendiensten hem op de huid.
Hij belandde in tal van hachelijke situaties, maar deinsde nooit terug. ‘Die jongens achtervolgden me overal. En ik belazerde ze graag.’ Vanaf 1984 was hij correspondent Oost-Europa in de Joegoslavische hoofdstad Belgrado. Als ‘vijand van het Servische volk’ werd hij in 1994 het land uitgezet, waarna hij zijn werk voortzette in de Sloveense hoofdstad Ljubljana.
Het boek dat hij in 1974 over de Nederlandse omroepen in oorlogstijd uitbracht, Radio Hilversum, 1940-1945, De omroep in de oorlog, geldt nog steeds als een standaardwerk. Momenteel werkt hij mee aan een EO-documentaire van Alfred Edelstein over hetzelfde thema die volgend jaar zal worden uitgezonden.
In 1997 publiceerde hij zijn memoires, Van pantservuist tot pantservest - zestig jaar (on)journalistieke ervaringen. De nooit gelezen brief die hij in 1944 aan de vooravond van zijn tocht naar bevrijd Nederland aan zijn ouders en zijn zusje schreef, is in het boek afgedrukt. Het boek is onder meer opgedragen aan Cor Gerritsen, een Haarlemse kennis die door de Duitsers werd gefusilleerd omdat hij een illegaal tijdschrift verspreidde, een Russische dissident (Anatoli Martsjenko) die omkwam in een strafkamp en ‘de tientallen miljoenen anderen die om rassenrazernij, godsdienstgekte en partijpschychopatisme, dus gewoon om niks, zijn vermoord’.
In de inleiding benoemt hij zijn drijfveren als journalist in communistisch Oost-Europa : ‘Diepe, morele verontwaardiging over wat mensen in die contreien werd aangedaan en droefheid dat veel zich links noemende lieden en Realpolitiker daar luchtiger over deden dan ze zouden moeten doen’.
Sinds vorig jaar is Verkijk terug in Haarlem. We kennen elkaar - zijn vrouw, Tini Buis, is een zus van mijn moeder, Nina Buis. Na zijn huwelijk in 1997 met Tini, een jeugdvriendin van hem die in de jaren vijftig naar de Verenigde Staten was geëmigreerd, woonde hij tot voor kort in Sandy, een plaatsje ten zuiden van Salt Lake City in Utah.
Persoonlijke omstandigheden voerden hem terug naar de Zaanenlaan, waar het gezin Verkijk in 1935 na een verhuizing vanuit Den Haag was gaan wonen. Zijn vader was advertentieverkoper bij de socialistische krant De Vooruit, de voorloper van Het Vrije Volk. Zijn grootouders waren volgelingen van de socialistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis, zijn ouders waren lid van de SDAP. Zelf is hij nog steeds ‘en ondanks alles’ lid van de PvdA. ‘Ik ben mijn hele leven een linkse knaap gebleven.’
Duitsers noemt Verkijk nog steeds moffen, als hij het over de oorlog heeft tenminste. ‘Omdat een groot deel van de Duitse bevolking destijds voor Hitler heeft gestemd. Maar als ik het over naoorlogse Duitsers heb, noem ik ze tegenwoordig gewoon Duitsers.’
Het huis in de Zaanenlaan heeft hij altijd aangehouden. De oorlog is hier niet ver weg en de herinneringen zijn levend. Wat hij nog weet van de oorlog, ruim tachtig jaar later? ‘Alles.’
In de gang hangt een koperen bordje van de vooroorlogse vredesbeweging, met de tekst ‘Nooit meer oorlog’ en een gebroken geweertje. Verkijk vertelt over de Duitse soldaat die in mei 1940, kort na de Duitse inval, een paar weken bij het gezin Verkijk was ingekwartierd. ‘Wat is dat voor bordje, vroeg die mof op een dag. Nie wieder Krieg, zei mijn vader. Daar moest die soldaat hard om lachen.’
Honderd meter verderop, aan het Junoplantsoen, had de Duitse Wehrmacht een schoolgebouw geconfisqueerd. De buren, vrienden van zijn ouders, waren lid van de NSB. Hun zoon was lid van de Nationale Jeugdstorm, de jongerenbeweging van de partij. Zijn vriend Dik van den Haak woonde schuin aan de overkant, de Delftlaan ten westen van het huis was de grens van het spergebied. In het laatste oorlogsjaar kwam een vriendenclub, met onder meer Tini Buis, een paar keer week bij elkaar, ander vermaak was er niet.
Verkijk vertelt over de inval in de ochtend van 6 december 1944, een dag die bekend zou worden als de Sinterklaasrazzia. Hij schreef er een boek over. Meer dan 1300 mannen in Haarlem tussen de 17 en 40 jaar werden opgepakt en tewerkgesteld in Duitsland, 81 van hen zouden omkomen. Zijn vader lag ziek in bed toen de nazi’s binnenvielen. Hoewel hij boven de leeftijd was, zoals het destijds werd geformuleerd, werd hij met de anderen meegenomen naar het Marnixplein aan het einde van de straat en vervolgens naar Kamp Rees getransporteerd.
‘Met die leeftijd hadden ze geen moer te maken, zeiden die moffen. Mijn vader moest mee. We hadden de pech dat de huizen aan de overkant werden gecontroleerd door de Wehrmacht en de rij aan deze kant door de Grüne Polizei. Dat waren de echte fanatieke nazi’s. Ze doorzochten het hele huis, zelfs het kippenhok, hoewel daar natuurlijk geen kippen meer in zaten. Het was hongerwinter.’
Verkijk zelf ontsnapte, hoewel het huis werd doorzocht. In een kast in de woonkamer lagen exemplaren van de De Oprechte Haarlemmer, het illegale krantje dat hij samen maakte met de twee jaar oudere Dik van den Haak. De oplage was 350 exemplaren. Twee keer per week werden de kranten ’s avonds in het donker in de buurt verspreid. ‘Ik was als de dood dat ze die kast zouden openmaken en die krantjes zouden vinden. Want dan zouden we nog veel meer de klos zijn geweest.’
Eerder hadden de twee vrienden al een ander krantje gemaakt, Het Nieuwsbureau, voor vrienden en kennissen. ‘Toen jouw opa, de vader van Tini, een keer langsfietste, groette hij ons heel hard. Dag heren van Het Nieuwsbureau! Het was een waarschuwing. De Oprechte Haarlemmer maakten we daarna in het diepste geheim, zelfs de vriendenclub wist van niks. Het was te gevaarlijk.’
Zijn vader keerde al na een maand terug uit het werkkamp in Rees. Hij was arbeitsunfähig verklaard, arbeidsongeschikt. Niet alleen de zware fysieke arbeid, het graven van tankgrachten langs de Rijn die de opmars van de geallieerden moesten stuiten, hadden hem gebroken. Verkijk, aangeslagen: ‘Het emotioneert me nog steeds. Ze gaan allemaal dood, ze gaan allemaal dood, zei mijn vader. En hij hield er een onvoorstelbare angst aan over voor iedereen die een Duits uniform droeg.’
Om zijn vader te kalmeren verborg hij de exemplaren van De Oprechte Haarlemmer in de pijp van een potkachel. Gave krantjes stelde hij na de oorlog beschikbaar aan het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, het Niod. Zelf heeft hij nog ergens beduimelde kranten liggen, vervuild door het roet van de potkachel.
Hun stukken in De Oprechte Haarlemmer baseerden de twee jongens op de informatie die ze hoorden in de uitzendingen van illegale radiostations, Radio Oranje onder meer. Een week na hun mislukte vlucht naar bevrijd Nederland verscheen het eerste nummer. ‘We moeten toch wát tege Source: Volkskrant