‘Het is vandaag maandag 19 juni’, zegt meneer Van den Boogaard (86) tegen niemand in het bijzonder. Hij zit in de gezamenlijke huiskamer aan de ontbijttafel. Mijn collega’s en ik kijken verrast op. ‘Hoorde je dat? Hoorde je wat meneer Van den Boogaard zei?’ Een andere collega steekt nieuwsgierig haar hoofd om de hoek. ‘Wat? Wat zei-ie?’
Op zijn beurt is meneer Van den Boogaard verrast door de commotie die hij heeft veroorzaakt. ‘Soms zeg ik heel bijzondere dingen’, zegt hij glunderend, ‘dat heb ik op het moment zelf niet eens door.’
Over de auteur
Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. Hij schrijft om de week een wisselcolumn met Erdal Balci. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.
De bewoners van de psychogeriatrische afdeling zijn allemaal verschillend, maar één ding hebben ze met elkaar gemeen: ze weten niet wat de datum is. Je hebt je geheugen nodig om je te oriënteren in de tijd en bij vergevorderde dementie werkt dat niet meer. Je kunt je niet herinneren hoelang de dag al duurt en of het gisteren Kerstmis was of 6 maanden geleden.
Van deze gemene deler wordt slim gebruikgemaakt bij de uitgang van de afdeling: je moet de maand en het jaar intoetsen om de deur te openen. Zo kunnen bezoekers naar buiten, maar bewoners niet.
Toch is het Tini (77), aka Tini Houdini, al een paar keer gelukt om te ontsnappen. Ze is relatief jong en kwiek, waardoor bezoekers haar niet aanzien voor een bewoner en de deur netjes voor haar openhouden.
Ik sta in de gang de was te sorteren – een paar keer per week wordt de schone was van de bewoners in een kar de afdeling op gereden – en Bep (89) en Tini komen arm in arm op me af.
‘Weet jij waar de uitgang is? Wij willen naar huis.’
‘Waar wonen jullie?’
‘Ik woon in Driebergen’, zegt Tini. Ze kijkt Bep aan. ‘Waar woon jij ook alweer?’
‘Ik moet naar de Jordaan.’
‘Driebergen is niet ver, daar kun je met de fiets naartoe’, zeg ik. ‘Amsterdam is wat lastiger.’ Ik begin een wijdlopig verhaal over het openbaar vervoer. Met de bus naar het station en een trein die op het hele en het halve uur vertrekt, instappen op perron 5 of perron 7, uitstappen op de tweede halte – Bep en Tini kijken intussen steeds moeilijker – en dan met de roltrap naar beneden, rechtsaf op het Stationsplein, tram 13 of tram 17. ‘Hebben jullie eigenlijk wel een ov-chipkaart?’
Bep en Tini zijn even stil. ‘Kun jij met ons mee?’, vraagt Tini.
‘Nee, ik moet werken. Weet je wat? Als jullie vandaag nou eens lekker hier blijven, dan gaan we een andere keer naar Amsterdam.’
De laatste keer dat Tini ontsnapte, werd ze teruggebracht door de politie en de volgende dag stond het in de krant. Mensen zeggen dan: kunnen ze in dat verpleeghuis niet wat beter op hun bewoners passen? Loslopende dementerenden: levensgevaarlijk. Anderen vinden het juist schandelijk dat mensen met dementie worden opgesloten.
Meneer Van den Boogaard wil ook naar huis, maar hij is hier komen wonen omdat het thuis niet meer ging. Voor mensen met dementie is het moeilijk om continu gedesoriënteerd te zijn en hun omgeving niet meer te begrijpen, en daardoor kunnen er een heleboel andere problemen ontstaan: angst, achterdocht, dwaalgedrag, agressie. Meneer Van den Boogaards vrouw sloot zich op in de badkamer om zich tegen hem te beschermen.
Aan het eind van de middag zie ik hem in de gang staan. Met zijn handen op de rug staat hij op een afstandje toe te kijken hoe de familie van een andere bewoner de code intoetst. De deur opent, de familie stapt naar buiten en achter hen gaat de deur weer dicht. Klik: in het slot.
Meneer Van den Boogaard schuifelt dichterbij. Hij legt zijn hand erop en duwt, maar er komt geen beweging in. Met samengeknepen ogen inspecteert hij de deur van boven naar beneden en tast met zijn vingertoppen langs de deurpost. Op het kastje drukt hij een paar toetsen in. Er klinkt een protesterend gepiep en een lampje knippert rood. De deur gaat niet open.
Source: Volkskrant