Home

Kan iemand, tussen de parlementaire commissies en enquêtes door, vragen waar de toekomst gebleven is?

Grote transities vragen om leiders die tussen ons en de chaos gaan staan. Big Trouble Management, noemt Marcia Luyten het. Maar burgers en politici weigeren problemen frontaal aan te vallen. Een voorpublicatie van de bundeling van haar Volkskrant-columns getiteld Democratie is niet voor bange mensen.

In Frozen Head State Park, in de bossen van Tennessee, melden zich elk jaar veertig deelnemers voor een helletocht. Van alle extreme runs is er geen zo beestachtig en idioot als de Barkley Marathons – marathons in meervoud, want ze rennen vijf rondes van in totaal 160 km. Het is niet de bedoeling dat iemand de race volbrengt.

Dus gaat de tocht dwars door bossen, langs doornenstruiken, over water, bergop en bergaf, en is de route niet aangegeven. Iedereen zoekt zijn weg met kaart en kompas, want gps en zelfs horloges zijn verboden.

Michiel Panhuysen deed vijf keer mee. Nog nooit haalde hij de finish, maar daar gaat het ook niet om, zegt hij in zijn boek In de ban van de Barkley. Tijdens de race draait het alleen nog om overleven; al het andere valt weg. Daarvoor is het nodig dat hij ‘ongemakken uitschakelt’. Zijn maag steekt, zijn knieën gaan stuk, in zijn schouders brandt een ontsteking. Dat allemaal voelen en maar blijven rennen. Uiteindelijk speelt hij dat klaar in zijn hoofd: Big Trouble Management. Panhuysen zoekt in de Barkley Marathon iets wat steeds schaarser wordt: kunnen afzien. Problemen frontaal aanvallen.

Big Trouble Management is ook nodig buiten de bossen van Tennessee. Als samenleving staan we voor ingrijpende transformaties; het veilig stellen van een leefbare planeet is een race tegen de klok, en omgekeerde vlaggen zijn het symbool geworden van woede en democratische onmacht. Problemen laten zich niet langer omdenken of wegpoetsen.

Ze vragen om grote oplossingen, maar leiders aarzelen en dralen. Politici vrezen de kiezer zoals topmannen de aandeelhouder. Kiezer en aandeelhouder weigeren op hun beurt iets van het eigen kleine comfort in te leveren voor het grotere geheel op de lange termijn. En de maatschappelijke structuren die uit al die deelbelangen één koers konden destilleren, zijn met de ontzuiling gerafeld en uiteengevallen.

Het is een revolutionaire tijd. Maar dan een waarin de meeste mensen hartgrondig géén revolutionair willen zijn. De zekerheid die ze rest is de overtuiging dat het vroeger beter was. Dus maakten in maart 2023 zo’n 1,3 miljoen Nederlandse kiezers de conservatieve BoerBurgerBeweging tot grootste partij in de Eerste Kamer.

De meeste Nederlanders kuieren het liefst bedaard door het leven. Een eigen huis met een deurmat, laadpaal en taartschep, een aardige auto, een aardig gezin, tot de tanden verzekerd en niet te veel last van anderen. Op grote veranderingen zitten ze niet te wachten.

Multatuli zag het bij zijn personage Max Havelaar: ‘... toch stelde hij zijn grootst geluk in een kalm huiselijk vergeten leven’, waarna de historicus Johan Huizinga het in ons zelfbeeld etste: ‘Onze nationale cultuur is burgerlijk in elken zin, dien men aan het woord hechten wil. [...] Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër.’

Zij verwezen naar deugden die toen werden geassocieerd met de Nederlandse volksaard: serieus, eenvoudig, ingetogen, spaarzaam, vlijtig en dienstbaar aan het grotere geheel. Het was die burgerlijke cultuur die Nederland in de 17de eeuw een wereldmacht maakte. Maar het land dat het liefst niet verandert, is al lang niet meer wat het was.

Om met de burger te beginnen. De burger is niet burgerlijk meer. Eerst maakten de hippies in de sixties er een scheldwoord van. ‘Burgerlijk’ was wat je niet moest zijn: braaf, truttig, kleinburgerlijk. Het burgerlijke waardenpatroon werd pas echt overschreven toen eind 20ste eeuw de markt uit zijn ketenen kwam. De vrije markt, privatisering en liberalisering, dat rook allemaal naar vrijheid. Dus wie kon ertegen zijn?

Terwijl zuilen verkruimelden, werd identiteit een afgeleide van zaken waarvoor is betaald, van lifestyle. Consumptie werd een machtig nieuw geloof. De consument wentelde zich in luxe en comfort. Gemeenten en andere overheidsorganen gingen de burger ‘klant’ noemen.

En zo ging die zich ook gedragen. Hoge eisen stellen en zo min mogelijk betalen – want al verdween de dominee, koopman zijn we altijd gebleven. Economie, overheid en een steeds groter deel van de samenleving werden ingericht als markt; ons bestaan afgestemd op efficiëntie en winst. Als een stemvork trilt die ordening na in vrijwel elk domein van ons leven. Iets krijgt pas waarde als het in geld kan worden uitgedrukt.

Dat pakte niet lekker uit voor de overheid en de mensen die voor haar werken; de staat werd in plaats van oplossing tot deel van het probleem verklaard, ambtenaren waren losers en de overheid moest krimpen. De vrije markt creëerde een nieuwe klasse werkende armen en voedselbanken met wachtlijsten. Wie daarentegen van zijn geld kapitaal kon maken, het beleggen of investeren in vastgoed, die werd miljonair.

Zowel de arme als de puissant rijke toont steeds minder burgerschap. De eerste concludeert dat het systeem niet werkt voor hém. Die stemt met zijn voeten of op een partij aan de flanken. De tweede legt niet in naar draagkracht. Juist wie veel geld heeft, kan belasting ontwijken. Beide typen burgers, de afgehaakte en de hedonistische, staan Big Trouble Management in de weg.

Het best geïllustreerd wordt dat door het boerenprotest. Als percentage van de beroepsbevolking (0,6 procent) en aandeel in de economie (bijna 4 procent) zijn de boeren een quantité négligeable. Maar in een streek kennen alle boeren elkaar – ze treffen elkaar op feesten, en regionaal zijn ze door boerenorganisaties verbonden. Een slim reclamebureau en forse steun van de agro-industrie maakten van de boer een politieke macht. Een die een flink deel van de samenleving achter zich kreeg, namelijk al diegenen die te fatsoenlijk zijn om radicaal-rechts te stemmen, maar er geen vertrouwen in hebben dat door de regering aangekondigde verandering een verbetering zal zijn.

Die boerenidentiteit werd geladen met symbolen: hooivorken, de omgekeerde vlag, de trekker, de rode boerenzakdoek. Boegbeeld is een struise vrouw die weliswaar beantwoordt aan het archetype van de boerin, maar vooral ook een handig politica is wier partij nu in de senaat de grootste is. Na het verdwijnen van zuilen en standen, staat alleen de boerenstand fier overeind.

Wat ook verandert, is de motor van de economie. Twee eeuwen hebben we de economie opgestookt met vuur. Fossiele brandstoffen stuwden westerse economieën tot ongekende hoogten, tot de maan en verder. Mensen werden in de grote industriële transities meegenomen door een aanlokkelijk groot verhaal. De Nederlandse steenkoolindustrie zou nooit zo’n succes zijn geweest als de mijnwerkers niet hadden geloofd in het gloedvolle narratief van vooruitgang, trots en karakter dat hun door de mijn, de kerk en de staat werd voorgehouden.

Van zo’n groot verhaal ging een stuwende kracht uit die een gemeenschap schiep, en haar tegelijkertijd dirigeerde. Dat was mogelijk omdat de staat in zichzelf geloofde. Omdat er minder individualisme was en sociale media nog niet bestonden. En omdat er ook een innerlijke vlam brandde.

Intussen is dat industriële vuur gevaarlijk heet geworden. De opwarming van de aarde gaat met een versnelling die wel gevoeld, maar nog maar deels begrepen wordt. Pas twee jaar geleden vonden onderzoekers van de poolkappen bewijs voor wat ze vreesden: dat het ijs op Groenland niet alleen smelt aan de bovenkant, maar ook vanonder. De modellen voor de gevolgen van klimaatverandering zijn altijd uitgegaan van dooi aan één zijde van het ijs.

Wie vandaag de dag wordt geboren, zal leven in extreme hitte. Met herstelwerk is begonnen, maar de inspanning, de brains, de politieke strijd, de tijd: veel gaat op aan repareren van wat er is stukgegaan in de zucht naar meer. Je zou willen dat er tussen de parlementaire enquêtes en onderzoekscommissies door iemand opstaat en vraagt: wacht eens even. Waar is de toekomst gebleven?

Die toekomst wordt met kennis en elan verwoord door veelal vrouwelijke economen en enkele leiders in het bedrijfsleven. Oud-Unilever-topman Paul Polman schreef met Net Positive een handboek voor de ceo die onder de streep wil bijdragen aan het welzijn van mens en planeet. Een circulaire economie zonder afval en met opgewekte energie leent zich voor een mooi, verleidelijk en vrolijk toekomstbeeld; voor een groots project van gezonde lucht, drinkbare rivieren, bloeiende weilanden, een florerende economie en florerende mensen, bevrijd van jacht en haast. Maar aan die verhalen durven weinig politici zich te wagen.

De gedachte aan een meeslepend, verbindend toekomstbeeld heeft onze minister-president altijd idioot gevonden. Toen ik hem en marge van een NOS-uitzending vroeg of hij niet een groot verhaal moet vertellen om de Nederlanders mee te krijgen op weg naar een duurzame economie, antwoordde hij: ‘Een groot verhaal? Ben jij gek! Lévensgevaarlijk!’

Had de mens vóór de grote ontkerkelijking zicht op de hemel, nu ontbreekt elk vergezicht. Met de landing op de maan is ook God ingehaald. Maar mensen hebben verhalen nodig om gezamenlijk ergens naartoe te gaan. Zoals journalist en schrijver Joan Didion zei: We tell ourselves stories in order to live.

O Source: Volkskrant

Previous

Next