Zo, en nu gaan ze fietsen.
Uhm... fietsen?
Zij: ‘Ja, leuk door Amsterdam.’
Levensgevaarlijk.
Hij: ‘We hebben helmen en alles.’
Kennen ze die rondrazende e-bikes wel? Op al die bruggetjes? Je belandt zo in de gracht.
Zij: ‘Nou ja, ons laatste boek heet: Heeft iemand Charlotte Salter gezien?’
Hij: ‘Ja, dan kun jij boven je stuk zetten: Heeft iemand Nicci French gezien?’
Zij: ‘Heb je direct al een spannend begin.’
In koor: ‘Hahahaha.’
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
En een lol dat ze hebben, die Nicci Gerrard (65) en Sean French (64). Het is half 9 ’s ochtends in een Amsterdams hotel. Of het interview wat vroeger mocht? Ze hebben nog allerlei uitjes gepland. Doen ze altijd als ze in Amsterdam zijn. Twee, drie keer per jaar, al 25 jaar lang. En altijd hetzelfde hotel op de Herengracht. Een home away from home.
Zij houden van Nederland, en Nederland houdt van Nicci French. Gerekend per hoofd van de bevolking verkoopt het duo hier de meeste boeken. Duizelingwekkende aantallen zijn het. Wereldwijd: vijftien miljoen exemplaren. Alleen al in Nederland: zes miljoen. Dan kom je wel graag in Amsterdam, ja.
Zojuist is hun in samenspraak geschreven titel 29 verschenen: Heeft iemand Charlotte Salter gezien? (Ambo/Anthos; € 22,99). Staat ook weer hoog in de CPNB Top 60.
Sean French: ‘We waren allebei geoefende schrijvers. Toen we elkaar leerden kennen, zaten we al jaren in de journalistiek. We zijn in 1994 samen voorzichtig aan Het geheugenspel begonnen, als experiment. Om te zien of dat werkte. Onze schrijfstijlen zijn afzonderlijk heel verschillend, maar bij Nicci French vloeit dat samen. Eerst gaan we uitgebreid plotten. Wat wordt het verhaal? Wat zijn de details? En heel belangrijk: hoe eindigt het? Nicci schrijft iets, stuurt het naar mij, ik edit dat, en herschrijf en zo gaan we verder. Of vice versa, dat kan ook.’
Pingpong?
Nicci Gerrard: ‘Niet helemaal. We schrijven in het idiolect van Nicci French. Ze heeft haar eigen stem. Voor ons leeft ze. Het is niet knip en plak van twee schrijfstijlen. Nicci heeft haar eigen toon en timbre. Onze onderlinge discussies gaan van: staat er mooi, dit stukje, maar het is gewoon niet Nicci French. En dan moet het anders.’
Sean French: ‘Eigenlijk werkt het heel bevrijdend. Ik kan nu schrijven in een stijl die ik vóór Nicci French nooit zou hebben gehad.’
Schrijven doen ze tegenwoordig in Oost-Londen. Zij heeft de zolder als werkruimte, hij het tuinhuisje. ‘Sean is heel genereus. Ik heb een kamer met uitzicht. Dat tuinhuisje is erg sober. Het duurde jaren voordat hij er eens wat dingen ophing.’
Hij: ‘Ik wil geen afleiding. Mijn wifi doet het daar ook niet. Als ik schrijf, wil ik me volledig kunnen afsluiten.’
Zij: ‘Eerst gaan we rennen, fietsen of zwemmen. Dan heel veel koffie. Vervolgens beginnen we. Zo vroeg mogelijk. Anders gaan de dagelijkse beslommeringen maar weer in de weg zitten.’
Hij: ‘Onze boeken vallen in de categorie psychologische thrillers. Dat is toch vooral een marketingtool van uitgevers. Voor ons zijn het gewoon verhalen. We willen beschrijven hoe de dingen in elkaar steken.’
Zij: ‘Protestants vaak, hè? Ik denk dat wij heel protestantse boeken schrijven. Al die personages dragen hun verleden mee, een hele last.’
Hij: ‘Bij ons is het nooit Goed versus Kwaad. Dat is katholiek. Wij schrijven vanuit het besef dat iedereen op zeker moment in staat is tot een misdaad. In die zin lijken we wel wat op de Zweedse filmregisseur Ingmar Bergman. Protestantser zul je het niet snel vinden. Schuld en boete. Dat soort zaken.’
Zij: ‘Het zal de reden zijn dat onze boeken vooral aanslaan in Noord-Europa, Nederland voorop.’
Hij: ‘En toch ook dat typisch Britse. Ik denk dat Engeland en Nederland veel dingen delen, op het gebied van cultuur en smaak. We hebben veel rondgereisd door Nederland. Ook in de provincie, om boekhandels te bezoeken en te signeren. Juist in de kleinere plaatsjes hangt altijd een Brits sfeertje. Petieterige huisjes, beetje dorps.’
Sean French is de literaire veelvraat, blijkt. ‘Ik beweeg me tussen de avonturen van Homerus tot aan de thrillers van Tom Clancy, die van De jacht op de Red October. Voor hem had ik echt een passie. Maar nadat hij in 2013 overleed hebben de erven zijn reeksen voortgezet. Die hoef ik niet. Daar trek ik de grens. Dan pak ik liever de nieuwe Stephen King.’
Zij: ‘Er is een boek waar ik elke zoveel jaar altijd weer naar terugkeer. Dan herlees ik Middlemarch uit 1871 van George Eliot, het pseudoniem van Mary Ann Evans. Het is een weergaloze kroniek van het 19de-eeuwse leven in de Midlands. Met talloze personages die aan het slot allemaal weer heel vernuftig bij elkaar komen. Een prachtige compositie. Ik draag dat boek in mijn hart.’
Zijn zij nu de Lennon en McCartney van de misdaadromans?
Zij: ‘Haha. Dan ben ik Paul McCartney. De zachtaardigste van de twee.’
Hij: ‘Ik ga voor John Lennon. De rebel die maar bleef zoeken naar vaderfiguren, omdat zijn eigen vader Alfred er al vroeg vandoor was gegaan. Tragisch verhaal.’
Zij: ‘Het was wel uniek hoe John en Paul elkaar aanvoelden.’
Hij: ‘Vooral omdat ze zulke verschillende karakters hadden. Toen ze I Want to Hold Your Hand in 1963 schreven zaten ze oog in oog met elkaar – allebei een gitaar in de hand. Dat was in de kelder van het ouderlijk huis van Jane Asher, destijds Pauls vriendin. En She Loves You schreven ze deels in een tourbusje, en vervolgens op een hotelkamer in Newcastle. Ze werkten heel snel, zo samen.’
Zij: ‘Bij ons gaat dat ook zo. In het dagelijks leven hebben we meningsverschillen over alles. Echt over alles! Maar bij het schrijven pikken we dat van elkaar. Keihard klinisch schrappen. Zonder genade. Maar een strijd van ego’s wordt het nooit. Het gaat om Nicci French.’
Hij: ‘Paul kwam in 1965 met zijn eigen compositie Yesterday – een nummer waar John Lennon van begin af aan de pest aan had. Dat was eigenlijk al de opmaat naar hun breuk. Al hielpen ze elkaar nog wel met een flard tekst, een brug in een liedje, een idee voor een refrein, dat soort dingen. Maar voortaan was het ieder voor zich. Zonde.’
Zij: ‘Zo is het wel weer genoeg over The Beatles, hoor. Je stopt gewoon nooit, jij.’
Hij: ‘Sorry.’
Hij: ‘Nicci en ik zaten er begin jaren tachtig, en we studeerden allebei Engels. Maar we hebben elkaar daar nooit ontmoet.’
Zij: ‘We slaagden er wonderwel in om elkaar te vermijden.’
Hij: ‘Terwijl het toch niet zo’n heel grote plek is, de universiteit daar.’
Zij: ‘Voor mij was het een heel intense studietijd. Ik deed daar zoveel nieuwe kennis op. Het was echt aanpoten met al die essays die je moest schrijven. Een gouden periode in mijn leven. Voor mij was het de vrouwelijke variant van Brideshead Revisited. Zo voelde dat. Sean en ik hebben allebei een middleclass-achtergond. Een veilig bestaan, financieel behoorlijk goed af, en met een gedegen schoolopleiding, dus studeren lag in de lijn der dingen. Al was dat voor vrouwen toen nog niet zo vanzelfsprekend.’
Hij: ‘Vandaag is de man-vrouwverhouding op Oxford en Cambridge fiftyfifty. Of nee, er studeren daar waarschijnlijk nu meer vrouwen dan mannen.’
Zij: ‘In die dagen gingen de meeste leerlingen nog naar privéscholen. Dure privéscholen, zoals Eton College. Ze hoefden niet buitengewoon slim te zijn, of goede cijfers te halen – als je papa maar genoeg centjes had. De geprivilegieerde elite, een wereld op zich. Al onze politici zijn afkomstig van zulke privéscholen. Ze komen in het parlement zonder iets te weten van het alledaagse leven. Daar hoorden wij dan toch ook weer niet bij.’
Hij: ‘Ik kwam vanuit een eenvoudige middelbare school in Noord-Londen naar Oxford. Het voelde aan alsof ik toegang kreeg tot de St. Paul’s Cathedral van kennis en wetenschap. Een complete cultuurshock.’
Hij: ‘In Cambridge staat een theatertje aan Park Street: ADC. Het hoort bij de universiteit, en vormt het onderkomen van een wisselend gezelschap dat aan studentencabaret doet: The Footlights. Zo vanaf 1960 kwamen daar generaties aan komieken uit voort. Dat begon met Peter Cook en Dudley Moore. Het hele team van Monty Python zat erbij. Hugh Laurie en Stephen Fry, Emma Thompson en noem ze maar op. Echt verbluffend. Die club en dat gezelschap bestaan nog steeds. ADC staat voor Amateur Dramatic Club. En zo zijn ze ook allemaal begonnen, als liefhebbers. Als je een leuke avond wilt hebben, moet je naar de ADC.’
Zij: ‘Ik ben geen expert op het gebied van comedy, maar ik begrijp nu wel de woede die erdoorheen schemert. Er gebeuren zoveel vreemde dingen in het VK, met die Brexit en alles. Dat schreeuwt om satire.’
Hij: ‘Met Monty Python zijn we allemaal opgegroeid. Ik had nog eens een akkefietje met John Cleese. Toen A Fish Called Wanda uitkwam, in 1988, was ik nog filmrecensent. John Cleese had mee Source: Volkskrant