Jellie Brouwer had ‘extreem geluk’ met haar grote liefde, drie dochters en ‘het mooiste werk van de wereld’. Maar altijd was er ‘die ondertoon’, de angst voor de kanker waaraan al verschillende familieleden ten prooi vielen. Vorig jaar kreeg Brouwer, opnieuw, slecht nieuws. ‘Je bent in een waanzinnig boek bezig, en dan moet je opeens stoppen zonder dat je weet wat het einde is.’
Toen Jellie Brouwer (59) afgelopen december een kandidaat mocht kiezen voor een avondvullend radio-interview, wist ze meteen wie het zou moeten zijn: Emiel Rutgers, de borstkankerchirurg die haar in 2017 had behandeld. ‘Dat liep toen goed af’, zegt Brouwer in de eerste minuut van de uitzending, ‘en dat was een mirakel. Nu ziet alles er heel anders uit. Jij bent met pensioen gegaan, en bij mij is de kanker terug.’
Het was slechts een paar weken na het slechtnieuwsgesprek waarin Brouwer te horen had gekregen dat het ‘helemaal foute boel’ was. In het interview met Rutgers deed ze iets wat ze zelden en uit principe eigenlijk ook liever niet doet: over zichzelf praten. Ditmaal wel, ook om luisteraars te laten weten waarom ze de komende tijd minder te horen zou zijn als presentator van Kunststof op Radio 1.
Maar veel vertelde Brouwer niet over zichzelf, of over haar door kanker getekende familie, in die marathonuitzending. En over de vraag of ze dit interview wilde geven moest ze nadenken, schreef ze begin februari in een mail: ‘Wat gezondheid betreft is de situatie vrij ernstig, maar er is een behandeling mogelijk die de ziekte kan vertragen. Dat wil ik afwachten voordat ik in het openbaar ga vertellen hoe de zaken ervoor staan. Ik wil namelijk graag zo lang mogelijk blijven werken en dat lijkt me ingewikkeld worden als de geïnterviewden te veel over mij weten. Dat zul jij je als geen ander kunnen voorstellen.’
Op 16 mei mailt ze weer, de vooruitzichten zijn somber. ‘We kunnen het niet te lang meer uitstellen.’ Aan de telefoon, als we bellen om een afspraak te maken, waarschuwt ze: ‘Jij moet er goed over nadenken of je dit wilt, want het kan voor jou misschien ook zwaar zijn.’
Ter voorbereiding stuurt ze een aantal documenten, ‘zodat je weet waar ik in zit’: haar ziektegeschiedenis, op één A4’tje chronologisch verteld, de speech die ze hield bij de uitvaart van haar jongere broer Harry, die op 3 mei aan maagkanker overleed, en een recent stuk dat ze schreef voor het boek In de spiegel, over een voor Brouwer gedenkwaardig interview met Renate Dorrestein, bij wie destijds ‘verdachte activiteit’ was gevonden. De vraag die ze in dat stuk stelt: ‘Hoe voer je een gesprek met iemand die weet dat ze binnen afzienbare tijd gaat sterven terwijl je zelf nog aan het bijkomen bent van levensreddende ingrepen?’
Brouwer hield toen vast aan haar rol en verzweeg haar eigen ‘kankeravonturen’ zorgvuldig, schrijft ze in het stuk. ‘Een interview is een gesprek dat van één kant komt, een duidelijke rolverdeling: ik stel de vragen, de ander geeft antwoord. Het gaat om de ander. Ik ben altijd verbaasd als een collega zelf van alles te berde brengt, wiens – in de meeste gevallen wiens en niet wier – vragen soms langer zijn dan de antwoorden. Het kwam niet in me op mijn eigen verhalen erin te fietsen.’
En ja, zo denkt ze er nog steeds over. ‘Ik heb dat stuk herlezen, voor je kwam, en ik zet het daar helder neer. Het is een rol waarin ik me prettig voel, die van vragensteller. Ik heb weleens gedacht: als ik nou maar iets meer ego had gehad, dan had ik misschien meer bereikt. Maar wat is meer? Die hele televisie is ook een draak, natuurlijk. En ik zat bij Kunststof helemaal goed. Het was net als met de liefde. Ik zag Philip en wist: dit is hem. Bij Kunststof was dat gevoel er ook direct, toen het programma begon.’
We spreken op 1 juni af bij haar thuis in Scheveningen, in een oud herenhuis vlak bij zee, waar ze woont met haar man Philip Kroonenberg (71), psychotherapeut en singer-songwriter. Hun drie dochters Patsy (25), Dunja (22) en Lynn (19) zijn er deze weken dagelijks. Patsy doet open (‘welkom in ons sprookjeshuis’), Jellie zit achter in de tuin, opgekruld op een hoekbank in de zon. Naast haar een glas cola met ijsblokjes, een kommetje en een washand. Ze leeft op cola en raketjes, zegt ze. ‘Ik denk dat je net op tijd bent. Volgende week kan ik nog meedoen. Maar ik kan me niet voorstellen dat ik dit nog lang volhoud. Dat lichaam is gewoon helemaal op.’
Op de foto wil ze niet, daar is ze duidelijk over. ‘Ik weeg nog 42 kilo en ik heb een slang in mijn neus, dus dat zullen de lezers denk ik wel begrijpen.’ Ze weet hoe ze het wél wil: ouder beeldmateriaal (de foto’s op deze pagina’s zijn twee jaar geleden gemaakt), bewerkt door de door haar bewonderde illustrator Paul Faassen, die ze een paar keer interviewde.
Lang had ze voor ogen dat ze weer zou gaan werken. ‘Ik dacht: oké, nog een paar Kunststoffen. Er was zelfs sprake van dat ik de uitzendingen vanaf De Parade zou doen, maar ik moest alles afzeggen. Ik bén eigenlijk al over grenzen heen gegaan, hoor, het is verschrikkelijk dat zij dit allemaal meemaken.’ Brouwer werpt een blik door de openstaande tuindeuren naar binnen, waar dochter Patsy en Philip aan tafel zitten met de krant, om van een afstandje in de gaten te houden of het goed gaat, hoe Jellie erbij zit, of ze pauze nodig heeft. ‘En zij ontkennen het. Zij willen mij erbij hebben, maar zij zien ook wel dat het eigenlijk niet gaat.’
Dan weer relativerend: ‘En misschien is het volgende week opeens weer anders hoor, dat kan.’
Over het geven van dit interview had ze ‘ontzettende twijfel’, zegt Brouwer. ‘Want ik heb altijd moeite gehad met mensen die in het openbaar gaan sterven, die alles – het doktersbezoek, de onderzoeken – op sociale media zetten. Dat begreep ik niet, al heb ik het ook nooit veroordeeld. Jan Rot, Thé Lau, ze genoten van de aandacht en dat snap ik in hun situatie. Ik heb er in het openbaar nooit voluit over willen praten. Het eerste interview dat ik deed nadat ik was geopereerd, was met Paul van Vliet. Vlak voor het rode lampje aanging zei hij dat hij me al een tijd niet op de radio had gehoord. Ik zei: ‘Ja, ik was een tijd ziek.’ Hij vroeg: ‘Niet te ernstig, hoop ik?’ ‘Ja, dat wel’, zei ik, en toen ging gelukkig dat lampje aan.’
‘Ook wel dat laatste. En dat heeft natuurlijk te maken met waar ik vandaan kom. Groningen, een heel eenvoudig milieu. Of nou, een heel eenvoudig milieu, daar heb ik ook weer een hekel aan, om het zo te zeggen, maar het was in ieder geval totaal niet cultureel. Ik ging als enige naar het gymnasium en daar was ik ongelooflijk trots op. Echt, zó trots. Op school zeiden ze: jullie zijn de wetenschappers van de toekomst! Dus ik vertelde dat thuis. En toen redde ik het niet, in het tweede jaar. Ik moest vreselijk huilen omdat ik niet meer de wetenschapper van de toekomst was. Dat gevoel bleef, ik voelde me altijd net iets minder dan de rest, ook omdat ik het idee had dat iedereen in het culturele wereldje, in de media, elkaar kende. En ik woon niet in Amsterdam hè, ik woon hier lekker in deze enclave.’
Denkt even na. ‘Maar goed, nu lijkt het net of ik een heel lage dunk heb van mezelf, dat is ook weer niet zo. En het is ook wel veranderd in de loop der jaren. Twee jaar geleden vierden we het 20-jarig bestaan van Kunststof, en de nieuwe eindredacteur zei: ‘Jellie, jij bent de koningin van Kunststof, dus jij gaat alle jubileuminterviews doen.’ Zoiets is natuurlijk fijn. Sommige andere presentatoren klaagden soms over van alles, ik nooit. Ik bleef van dat programma houden.’
Kunststof, waarin elke werkdag een schrijver, artiest, journalist of muzikant wordt geïnterviewd, bestaat sinds 2001, en Brouwer was er vanaf het begin bij, twee of drie keer per week, honderden interviews van een uur lang. Volgens velen heeft ze de mooiste radiostem van Nederland. En met de opkomst van de podcast bereikt het radioprogramma tegenwoordig ook een jonger publiek.
‘Ik ben heel zenuwachtig, dit is zo belangrijk voor mij. Want aan de ene kant ging ik het onderwerp uit de weg, en tegelijkertijd heb ik altijd iets met het verhaal willen doen. Het zat in mijn achterhoofd, maar ik dacht: ik ga niet het zoveelste boek over kanker schrijven, daar zit niemand op te wachten. Dus toen wilde ik een documentaireserie maken over familiaire, erfelijke kanker – want ik heb ook een missie, weet je, ik vind echt dat meer mensen dat moeten laten uitzoeken, dat er meer onderzoek naar gedaan moet worden. En, dacht ik, dan weef ik mijn eigen verhaal daar subtiel tussendoor. Dat zit er nu natuurlijk niet meer in. En Philip en de dochters zeiden: geef dat interview, wij willen het, als document. Want er is nu niks, hè. Terwijl: ik wilde er zó graag iets mee. Ik kan het niet meer, dus nu moet jij het doen.’
Het verhaal begint als Jellie Brouwer 3 jaar is – dan wordt haar vader ziek. ‘Ik ben me er toen niet van bewust geweest, dat is allemaal de vertelling. Mijn zusje Gea was net geboren en er kwam een kraamhulp die zei dat het niet normaal was dat mijn vader zijn eten niet weg kreeg. Toen zijn buik begon op te zetten, werd er lacherig over gedaan: ben jij ook zwanger? Ze dachten aan een maagzweer, want er waren spanningen op zijn werk – mijn vader deed de administratie voor een Source: Volkskrant