Home

Niels Roelen, Uruzgan-veteraan en schrijver: ‘Op het moment dat de keuze is doodgaan of de wet breken, is het glashelder’

Aanvankelijk is in zijn ogen ‘niets zo stompzinnig’ als het leger. Maar als 19-jarige heeft hij geen zin in het studentenleven en kan hij ook ‘niet goed stilzitten’. Dan, in 1992, valt de oproep voor de dienstplicht op zijn deurmat: ‘Ik kon negen maanden de kantjes ervanaf lopen, maar ik besloot er wat van te maken.’ De sportfanaat Niels Roelen komt erachter dat het leger ‘een toffe plek is als je wilt bewegen’ en wordt uitgenodigd voor een internationale verkennerswedstrijd. Vereist: een jaar lang keihard trainen, met als te leren vaardigheid onder meer een kalasjnikov in 47 seconden uit elkaar halen. Na dat jaar meldt hij zich aan bij de officiersopleiding KMA.

Bij het toelatingsgesprek gaat het nog bijna mis, omdat hij niets met hiërarchie heeft: ‘Gezag moet gegrond zijn, dus moet je de strijd ermee aangaan.’ Wanneer een generaal opmerkt dat niet tegen je verlies kunnen voor officieren een slechte eigenschap is, geeft Roelen hem fel repliek: ‘Dat vind ik vreemd, generaal. Iedere soldaat die wel tegen zijn verlies kan, mag zich van mij bij de tegenstander aanmelden, zijn we er bij de eerstvolgende oorlog gauw uit. Die generaal reageerde zwaar beledigd, maar de andere commissieleden zag ik gniffelen. Wonder boven wonder werd ik toch aangenomen.’

In 2007 volgt zijn uitzending naar de Afghaanse provincie Uruzgan: ‘De vraag op de kazernes van het Nederlandse leger was toen niet of er doden gingen vallen, maar hoeveel. Desondanks wil je het meemaken. Het is waar je jarenlang voor hebt getraind.’ In een kleine vijf maanden Afghanistan belandt hij in vuurgevechten, schiet hij tegenstanders dood en is er de constante dreiging van bermbommen. Bij terugkeer in Nederland volgt een zware tijd. Roelen, die getrouwd is en twee jonge kinderen heeft, blijkt in Uruzgan flink te zijn veranderd. Zijn vrouw herkent hem niet meer, wat uitmondt in een scheiding. Die ervaart hij als ‘een nog ergere oorlog dan Uruzgan’.

Ook van het leger neemt hij afscheid. Na alle kameraadschap kiest hij voor het solistische schrijversbestaan. Inmiddels heeft hij drie boeken geschreven, waarvan twee over zijn tijd in Afghanistan: Soldaat in Uruzgan en Leven na Uruzgan. In hoofdpersoon kapitein Vik de Wildt valt de 49-jarige Roelen moeiteloos te herkennen. Deze maand verschijnt van zijn hand Sporen. Daarin vertellen veteranen, van de Tweede Wereldoorlog tot Mali, wat oorlog met een mens doet.

‘Ik had een tamelijk gelukkige jeugd in Leerdam, in een welvarend gezin met een oudere broer en een jongere zus. Vormend was voor mij een gebeurtenis op mijn 12de, als brugklasser. Ik was voor het eerst verliefd, op een overbuurmeisje, Marieke. Ze was 14, had van dat dikke rode haar met mooie krullen, een en al levenslust. Op een dag kreeg ze griep, twee dagen later kwam er een ambulance met gillende sirenes, weer twee dagen later was ze dood. Een enorme schok. Die zomer had ik nog met haar in de golven staan springen. Het was mijn eerste confrontatie met de dood. Ik vond het zo oneerlijk. Uruzgan zou ik anders hebben beleefd als ik haar dood niet had meegemaakt.’

‘Ik leerde dat de dood niet iets is voor oude mensen, maar altijd kan toeslaan. Ik verloor mijn onbezorgdheid en kwam minder naïef in het leven te staan. Ik leerde dat het leven oneerlijk is. Kijk maar bij de Noord-Franse begraafplaatsen van militairen, gemiddeld zijn ze nog geen 30. Dat ik hier geboren ben en iemand anders in Uruzgan, is ook niet eerlijk. Ik had dus al iets van de hardheid van het leven meegemaakt, dat heeft me later geholpen mijn ervaringen in Uruzgan een plek te kunnen geven.

‘In Nederland zijn we geneigd erg dramatisch over de dood te doen, om niet te zeggen aanstellerig. Door bijvoorbeeld te zeggen dat iemand ‘te vroeg van ons is heengegaan’. Hoezo?, denk ik dan. In Uruzgan wordt doodgaan ook verdrietig gevonden, maar maakt het onderdeel uit van het dagelijks leven. Het wordt niet gedramatiseerd.’

‘Ja, je moet je naïviteit toch kwijtraken. Als je een probleem hebt, moet je leren dat de oplossing niet van een ander moet komen, zoals een klein kind dat verwacht van zijn vader of moeder, maar dat je het zelf moet oplossen. Ik vraag me af of onze maatschappij ooit volwassen wordt, want mensen zijn geneigd de verantwoordelijkheid voor hun problemen bij anderen te leggen. Ik vind dat je er zelf mee moet dealen.’

‘Dan kom ik uit bij voor mij het spannendste moment van de missie. Een commandant gaf mij opdracht tot het doorzoeken van een huis. Vandaaruit werd een te ver vooruitgeschoven post van ons met raketgranaten onder vuur genomen. Twee dagen eerder was dat nog gebeurd. Die commandant wilde dat ik erop afging, maar ik antwoordde dat ik veel te weinig manschappen had: maar drie, dat hadden er veertig moeten zijn. Met een getuige erbij zei ik: ‘Als het misgaat, wil ik dat u mijn vrouw en kinderen recht in de ogen vertelt door welke opdracht van u ik ben gesneuveld.’ Toch bleef hij bij zijn bevel.

‘Enkele weken ervoor had ik in een vuurgevecht gezeten. Veertig minuten lang, de kogels hadden letterlijk om mijn oren gefloten. Maar ik had controle gehad en al mijn beslissingen waren goed uitgevallen. Het had me een gevoel van onoverwinnelijkheid gegeven. Mijn lichaam was verslaafd geraakt aan endorfine, adrenaline. Het zat voortdurend op een verhoogd stressniveau en had behoefte aan een nieuwe piek, tot ver boven gezonde grenzen. Dus ben ik het bevel gaan uitvoeren. Maar ik wist: als het misgaat, ben ik kansloos, want onze verdediging was niet op orde.

‘Er kwam een man uit dat huis, hij stond in een halfopen deur. Alle sensoren van mijn lichaam gaven aan: ‘Holy shit, dit voelt niet goed.’ Tegen mijn korporaal zei ik over de intercom-radio: ‘Als dit losgaat, trek ik die vent voor me, zet mijn pistool tegen zijn harses en ga jij achter me langs, achterwaarts dat huis in.’ Ik dacht: als er straks wordt gevochten, moet dat huis als een jas om ons heen zitten, dat is onze enige kans. De korporaal zegt tegen me: ‘Cap (kapitein, red.), dat mag helemaal niet.’ Hij had gelijk: volgens het oorlogsrecht mag je een burger niet als schild gebruiken. Ik zeg: ‘Dat klopt, ik leg het in Nederland wel uit.’ Ik dacht: liever in een militaire cel, waarna ik mijn vrouw en kinderen nog kan zien, dan samen met mijn mensen hier te sneuvelen door de regels te volgen.’

‘De dood overtroeft al het recht. Je kunt allerlei nobels met elkaar afspreken, op het moment dat de keuze is doodgaan of de wet breken, is het glashelder. Leven is een kwestie van niet dood willen gaan, dat is de essentie. Dat oerinstinct wint het van alle ethische normen en waarden.

‘Uiteindelijk liep het goed af, er zaten geen Talibanstrijders. Maar dat mijn normen en waarden er even niet toe deden, blijft confronterend voor me. Ik denk dat ieder mens een punt kent waarop hij bereid is ‘slecht’ te worden. De vraag is of je dat onder ogen durft te zien. Het is een deur waar ik achter ben geweest, iets dat ikzelf verder moet dragen.’

‘Mijn eerste boek begint met de vraag van mijn dochter: ‘Papa, ben jij een moordenaar?’ Dat deed erg pijn. Maar ik begreep haar wel, ze hoorde het op school roepen. Pijnlijker vind ik volwassenen die redeneren: ‘Jij was in Uruzgan, jij hebt mensen doodgemaakt, dus jij bent een moordenaar.’

‘Iedereen wil als een goed mens worden herinnerd. Dus als anderen zo hard oordelen over je daden en motieven dan frustreert me dat enorm. Omdat ze mijn zelfbeeld onderuit dreigen te halen, hoe onterecht ik hun oordeel ook vind. En omdat ze totaal niet mijn pijn aanvoelen.

‘Ik heb alle doden de revue laten passeren en me telkens afgevraagd: heb ik alles gedaan om het te voorkomen? En als dat zo was, heb ik vervolgens zo min mogelijk geweld gebruikt? Voor de meeste situaties kan ik daar ‘ja’ op zeggen. Voor mezelf weet ik dat ik integer heb gehandeld. Ik ben geen cowboy geweest die het opzocht, dat geeft mij wel rust.’

‘Op een gegeven moment lokten we veertien Talibanstrijders in de val. Toen ze erin zaten, hebben we hem dicht laten klappen. Dan geef je een helikopter de opdracht het vuur te openen op een greppel waar mensen staan die kansloos zijn. Dat zijn Talibanstrijders, maar ook: een broer, een zoon, een vader, net als ik.’

‘Dat is me wel gelukt, ik heb geen slapeloze nachten. Maar het raakt me emotioneel nog altijd, wanneer ik het er zo over heb. Dat in de val lokken, is ambivalent: ergens ben je euforisch omdat je het ‘schaakspel’ hebt gewonnen, maar tegelijkertijd besef je dat het om mensen gaat en dat verliezen de dood betekent. Oorlog is kiezen tussen vreselijk tot de macht zes en verschrikkelijk tot de macht zes.’

‘Na de missie kwamen meerdere mensen in de problemen, met verslavingen en echtscheidingen. Veteranen kunnen vastzitten in: ‘Je was er niet bij.’ Zelf kunnen ze de woorden niet vinden voor wat ze is overkomen. Als militair word je opgeleid met het idee: nooit zwakte tonen. Maar als je wordt verteerd door wat je hebt gezien of gedaan, loop je vast. Ik dacht: als ik het opschrijf, wordt die worsteling zichtbaar en inzichtelijk. Zelf heb ik geen moeite me kwetsbaar op te stellen.’

‘Wanneer je eigen dood nabij is, reken maar dat je een schietgebed doet. Al ben je niet gelovig, zoals ik. Ook gebeuren er dingen die je niet kunt verklaren: waarom slaat die raketgranaat tot vijf keer toe niet op het muurtje voor me, waarna het voorbij zou zijn geweest? Geen verklaring. Dus bedankte ik een hogere macht. Ik zie dat niet als iets religieus, maar als een poging weer vat op mijn leven te krijgen. D Source: Volkskrant

Previous

Next