Home

Haar hand slierde door het water, de zon scheen fel maar aangenaam

Ik droomde dat ik een nieuw woord leerde, namelijk ‘luichelijk’. Degene die het gebruikte was een jonge vrouw met een air van oud geld; dat verklaarde waarom ik het nooit eerder had gehoord. De vrouw vertelde over een opblaaskrokodil waarop ze had gelegen, terwijl ze rustig werd voortgetrokken door een bootje. Haar hand slierde door het water, de zon scheen fel maar aangenaam. Dit alles was heel luichelijk geweest.

Het mooie aan luichelijk, besefte ik, was dat het refereerde aan een lui soort geluk, en zo klonk het ook als je het uitsprak. Het leek me typisch een woord om zo af en toe eens te gebruiken, als het me uitkwam. Luichelijk, luichelijk, luichelijk, herhaalde ik, om het niet te vergeten.

Na het opstaan natuurlijk meteen opgezocht of het woord bestond; nee dus. En toch weet ik zeker dat ik vandaag weer hordes mensen luichelijk zal zien rondhangen in het park.

Source: Volkskrant

Previous

Next