Als jongen werd journalist Sander van Walsum gegrepen door Monet. Die liefde paste toen niet in de tijdgeest, maar zijn fascinatie is nooit verdwenen. Daarom gaat hij met acrylverf en scheurpalet naar de locaties waar zijn idool schilderde om het antwoord te vinden op de vraag: wat maakt de impressionist zo briljant?
Het zal maart 1973 zijn geweest, ruim vijftig jaar geleden dus. Bij De Slegte aan de Oudegracht in Utrecht sloeg ik, inwoner van het naburige Doorn, een Duitstalig boek open met schilderijen van Claude Monet (1840-1926). Het had ook een boek over Cézanne of Van Gogh kunnen zijn. Of, indien de afdeling geschiedenis dichter bij de ingang was gesitueerd, een boek over de Tweede Wereldoorlog. Maar juist het rijk geïllustreerde boek over Monet drong zich aan mij op.
Mijn belangstelling werd meteen gewekt door een stilleven met knoflooktenen en een homp rundvlees (‘Ochsenslende’) uit 1864. Vervolgens door een ‘Blühender Garten’ en een terras in de Franse kustplaats Sainte-Adresse, omzoomd door fel gekleurde bloemen. Maar de overtreffende trap van schoonheid – in mijn ongeoefende ogen – werd bereikt op bladzij 25. Daar was een reproductie afgedrukt van Hôtel des Roches Noires in Trouville, een schilderij dat Monet had gemaakt in juli 1870. Met bewondering, ongeloof bijna, keek ik naar de trefzekere verfstreken waarmee Monet de weelde van het bouwwerk en de gratie van de flaneurs op het half beschaduwde terras had gekarakteriseerd. Maar bovenal werd ik getroffen door de bravoure waarmee Monet de grote (Amerikaanse?) vlag op de voorgrond heeft geschilderd, knetterend in de aanlandige wind. Het feeërieke effect werd bereikt door rode en gebroken witte vegen die Monet in een paar bevlogen seconden op een onbeschilderd deel van het doek moet hebben aangebracht.
Over de auteur
Sander van Walsum is verslaggever en commentator voor de Volkskrant. Ook recenseert hij non-fictie. Eerder was Van Walsum correspondent in Berlijn.
Na aanschaf van het boek spoedde ik mij naar ‘American lunchroom’ Van Angeren aan de Lange Viestraat om de wereld van Monet nader in mij op te nemen. Ik zag recreanten aan een Seine-oever, zeilboten in Argenteuil, badgasten in Trouville, stillevens, dames met parasols, glooiende velden met klaprozen, Amsterdamse stadsgezichten, stoom uitbrakende treinen, de kathedraal van Rouen in volle zon en bij zonsondergang, de schemering in Venetië, de smog van Londen en de lelies in de tuin van Monet in Giverny. Maar steeds keerde ik terug naar bladzij 25, naar Hôtel des Roches Noires.
Het schilderij wekte bij mij een sterk verlangen op naar een tijd die – zo meende ik – zoveel móóier was dan de onze. Pas jaren later, toen ook ik mij ook in geschiedenis was gaan interesseren, besefte ik dat Monet de glorie van het badseizoen in Trouville moet hebben vastgelegd toen de Frans-Pruisische oorlog op het punt van uitbreken stond – of al was begonnen. In de salon en op het terras van Hôtel des Roches Noires zal tijdens het badseizoen van 1870 een bedrukte stemming hebben geheerst.
Monet ontkwam met een vlucht naar Engeland aan het krijgsgeweld. Voor hem had dit als bijkomend voordeel dat hij ook de Franse schuldeisers van zich afschudde aan wie hij tot dan toe was ontkomen door geregeld te verhuizen. Maar vanuit kunsthistorisch perspectief is de vlucht van Monet om twee andere redenen van belang: in Engeland maakte hij kennis met het oeuvre van de romantische landschapsschilder William Turner (door wie hij sterk werd beïnvloed), en hijzelf werd er ontdekt door kunsthandelaar Paul Durand-Ruel, die Monet en andere beoefenaren van de losse toets bij het kunstminnend publiek introduceerde. In 1873, precies 150 jaar geleden dus, verenigde Monet de avant-gardisten van dat moment in de Société anonyme des artistes peintres, sculpteurs et graveurs. Een jaar later belegden de leden, die al snel ‘impressionisten’ werden genoemd, hun eerste groepstentoonstelling.
Ikzelf wilde mij in de schilderkunst bekwamen aan de lerarenopleiding tekenen in Utrecht. Niet met de intentie leraar te worden, maar om de tijd tot mijn ontdekking door een vermogende kunstkenner te overbruggen. Daarbij had ik echter buiten de tijdgeest gerekend. Mijn eerste geschilderde landschap werd nog getolereerd. Het tweede werd door een docent grondig geabstraheerd. Maar het derde werd zonder pardon van de ezel getrokken. De figuratieve kunst was tenslotte hopeloos achterhaald (‘Wist je dat nog niet?’) en Monet was door de toenmalige avant-garde (waar ook mijn kunstdocenten zich toe rekenden) gedegradeerd tot koekblik- en kalenderschilder – net als Rien Poortvliet.
Niet alleen de ‘beeldtaal’ van Monet zou in onbruik zijn geraakt, hij zou ook nog eens blijk hebben gegeven van een volledig gemis aan maatschappelijk engagement door ‘mooi’ te schilderen in een tijd die voor zijn meeste tijdgenoten toch echt heel lelijk was geweest. Ik verzweeg maar dat dit voor mij nu juist de grote attractie was van het impressionisme. Want met maatschappelijk engagement werd ik die jaren overvoerd. Als ik op de salontafel in mijn ouderlijk huis niet het rapport van de Club van Rome aantrof, lag er wel een geschrift van Joke Smit of een zielsverwante feminist van wie mijn moeder merkbaar in de ban was geraakt.
Tijdens klassenavonden werd, soms met stemverheffing, over de thema’s van de dag gesproken – die mede bepalend waren voor de samenstelling van je vriendenkring: het kolonelsbewind in Griekenland, de ‘fascistische’ regimes in Spanje en Portugal, de dekolonisatie van Angola en Mozambique, de oorlog in Vietnam, de erkenning van de DDR en de eerbaarheid van dienstweigeren. Zelfs het traditionele dauwtrappen, op de vroege ochtend van Hemelvaartsdag, bleef niet van dit soort gespreksonderwerpen verschoond.
Het lichtvoetige oeuvre van de impressionisten was dus een weldadige afwisseling met de zware kost die mij dagelijks werd voorgezet. En het ontbreken van een opdringerig engagement trekt mij nog steeds aan in hun oeuvre – in die zin heb ik als kunstliefhebber en -beoefenaar sinds 1973 geen noemenswaardige ontwikkeling doorgemaakt. Ik waardeer schilderijen vooral op grond van hun (al dan niet definieerbare) schoonheid, niet vanwege een eventuele boodschap. Daarvoor zijn boeken, films en foto’s veel geëigender vehikels.
Bij de aanblik van schilderijen die actuele thema’s onder de aandacht brengen, vergaat het mij net als Karel van het Reve toen hij voor het eerst Guernica van Picasso zag: hij probeerde het ‘uit alle macht mooi te vinden’ maar slaagde daar niet in. ‘Mooie’ schilderijen worden dermate suspect geacht dat het Rijksmuseum enkele jaren geleden een tentoonstelling van fraaie, staande portretten bij wijze van disclaimer liet flankeren door een tentoonstelling over decadentie: de zonde die veel van de geportretteerden kennelijk met elkaar gemeen hadden.
Mijn docenten aan de Utrechtse lerarenopleiding hadden het kunnen bedenken. Ik raakte dermate ontmoedigd door hun dogma’s dat ik maar geschiedenis ging studeren. Na mijn studie kwam ik in de journalistiek terecht, en pas tien jaar geleden ben ik weer met enige regelmaat gaan schilderen – niet gehinderd door bewijsdrang of de modes van de dag. Als afsluiting van een arbeidzaam leven van 38 jaar in de journalistiek heb ik in Frankrijk voor deze krant enkele plaatsen mogen bezoeken die met Monet in verband kunnen worden gebracht – met de bedoeling daar ook zelf te gaan schilderen.
In Argenteuil zocht ik vergeefs naar schilderachtige vergezichten. Toen Monet er woonde en werkte (van 1871 tot ’78) was het een lieflijk plaatsje waar de industrialisatie schuchter haar intrede had gedaan. Nu is het een grauwe voorstad van Parijs waar ik met enige moeite de brug over de Seine terugvond die ook door Monet is vereeuwigd. Vétheuil, enkele kilometers stroomafwaarts, ligt er gelukkig nog net zo bij als in de tijd van Monet. Maar in Monets tuin in Giverny was ik onderdeel van een schuifelende massa dagjesmensen. Trouville-sur-Mer daarentegen ademt nog volop de charme van Monets strandtaferelen. Hôtel des Roches Noires, de eindbestemming van mijn bedevaart, is weliswaar geen hotel meer maar een enigszins sjofel appartementencomplex, maar dit deed geen enkele afbreuk aan de (kunsthistorische) sensatie die het bij me opriep.
Aan de rand van het terras, waar Monet zich op een mooie dag in juli 1870 moet hebben geposteerd, maakte ik mij op voor een schildersessie en plein air – in de buitenlucht dus. Daarmee heeft Monet school gemaakt. Hij was weliswaar niet de eerste schilder die buiten het atelier werkte – Eugène Boudin, Johan Barthold Jongkind en de zogenoemde ‘kleine meesters’ van de School van Barbizon waren hem voorgegaan – maar voor Monet was het licht meer dan een element in een landschap: het vormde er de ziel van. Onder invloed van het licht werden vormen hard of zacht, en ondergingen landschappen of stadsgezichten voortdurend atmosferische veranderingen. Zelfs in schaduwen werkt het licht nog door. Vandaar dat Monet maar zelden zwart gebruikte – tot onbegrip, hilariteit zelfs, van tijdgenoten die waren geconditioneerd door de duistere genrestukken van de vroege 19de eeuw.
Daar zat ik dan, op een zonnige meidag, ’s ochtends om een uur of elf, op de plek waar mijn idool in enkele uren tijd het schilderij heeft vervaardigd dat figureert op mijn muismat, in ten minste vier van mijn kunstboeken en op een affiche dat al vele jaren een van de muren Source: Volkskrant