N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Katherine Fleming Als hoofd van de rijkste kunstinstelling ter wereld ziet historica Katherine Fleming met verbijstering toe hoe linkse Amerikanen elkaar overtroeven in identiteitsdenken. Zoals „dat het potentieel aanstootgevend is om de cultuur of culturele producten te bestuderen van iemand anders dan jezelf”.
Halverwege het gesprek strijkt een grote zwarte vogel neer op de reling langs het terras. Klaar om naar zijn maaltijd te duiken. De top van de heuvel van het Getty Center in Los Angeles is een adelaarsnest. De kamer van Katherine Fleming, voorzitter en CEO van de J. Paul Getty Trust, heeft ramen rondom en nu staart de vogel naar binnen. „Soms geven ze me het gevoel dat er iets vreselijks staat te gebeuren”, zegt Fleming.
Voordat ze naar Amsterdam reist voor de Nexus-conferentie van zaterdag 17 juni – „Nietzsche, Van Gogh en Katy Fleming over de toekomst van de westerse beschaving”, zegt ze met een lachje – spreekt ze over de benauwdheid van het culturele debat in de Verenigde Staten, en over de rol die het Getty daarin kan spelen. Als rijkste kunstinstelling ter wereld – de stichting beschikt over een legaat van ruim 8,6 miljard dollar (krap 8 miljard euro) – heeft het Getty „een bijzondere verantwoordelijkheid”, vindt ze.
Katherine Fleming (1965) is voorzitter en directeur van de J. Paul Getty Trust, een culturele instelling die het legaat van oliebaron J. Paul Getty beheert. Het Getty Museum in Los Angeles valt onder deze trust.
Fleming heeft religiestudies gestudeerd en is gepromoveerd in de moderne geschiedenis van Griekenland. Van 2016 tot 2022 was zij een van de hoogste leidinggevenden van New York University. In 2022 stapte zij over naar het Getty.
Fleming is getrouwd en heeft twee dochters.
„Wij moeten bereid zijn om gesprekken te voeren die misschien controversieel of lastig zijn, omdat andere instellingen zich dat minder gemakkelijk kunnen veroorloven, bang als ze moeten zijn dat ze hun financiers tegen de haren instrijken. Door de genereuze erfenis van oliebaron J. Paul Getty kunnen wij vrijuit spreken over bijvoorbeeld het eigendom van cultureel erfgoed, over representatie of over de waarde van kunst.”
Fleming (57) studeerde in New York, Chicago en Berkeley en ze werkte in de jaren negentig onder meer op de universiteit van Los Angeles voordat ze naar New York vertrok, waar ze uiteindelijk provost, een van de hoogste managers, werd op New York University. „De opening van het Getty Museum eind 1997 was een van de laatste grote evenementen die ik meemaakte in Los Angeles. Heel opwindend, je had echt het gevoel dit is iets groots, iets nieuws in de stad.” Maar ze wil er geen „sprookjesverhaal” van maken. „Ik dacht bij de opening niet: ik hoop dat ik hier over 25 jaar directeur word.”
Onder haar leiding kocht het Getty samen met de National Portrait Gallery in Londen onlangs een schilderij van de achttiende-eeuwse Britse schilder Joshua Reynolds aan: Mai, een zeldzaam portret van een man van de Polynesische eilanden, destijds een Britse kolonie. De gezamenlijke aanschaf is een bewuste poging om anders over cultureel erfgoed te denken, zegt Fleming. „Ik wil zeker niet zeggen dat je kunst moet ontwortelen uit de context waarin ze is gemaakt. Maar we zouden wel moeten loskomen van een anachronistisch concept van nationalisme. Het idee dat kunstwerken alleen van ‘ons’ kunnen zijn is problematisch.
„Wie is die ‘wij’? Die ‘wij’ is honderdvijftig jaar geleden doodgegaan. Die ‘wij’ is een alleen in onze fantasie bestaande natie van bijvoorbeeld Nederlanders, die op unieke wijze verbonden zouden zijn met een groepje oude meesters in de kunsten.
„Laat ik een voorbeeld geven uit een wereld waarin ik het meeste van mijn werk doe: hedendaags Griekenland. Daar heb je de intergalactisch succesvolle basketbalspeler Giannis Antetokounmpo, die de eerste decennia van zijn leven niet eens de papieren kon krijgen om in Griekenland te verblijven. Zijn ouders kwamen uit Nigeria en hij verkocht namaak Louis Vuitton-handtassen in de straten van Athene. Niemand die toen naar hem keek en zei: hij hoort bij ons nationale erfgoed. Maar toen werd hij een supersuccesvolle basketbalspeler, speelde voor het Griekse basketbalteam en werd aangekocht door een team in de Amerikaanse competitie – ja, dán is Giannis Antetokounmpo ineens Grieks nationaal erfgoed.”
We zouden moeten loskomen van een anachronistisch concept van nationalisme. Het idee dat kunstwerken alleen van ‘ons’ kunnen zijn is problematisch
Van het concept van cultureel erfgoed gaat Fleming over naar een van de „echt verontrustende dingen” van dit moment. „Ik ben historicus. De hele premisse van mijn discipline is dat we toegang kunnen krijgen tot andere werelden dan de onze door verantwoordelijk en nauwgezet wetenschappelijke onderzoeksmethoden te gebruiken. Ik kan die plek niet bezoeken, ik heb alleen toegang door mijn intellect. Maar in de cultuur van dit moment is het ontoelaatbaar en beledigend om te veronderstellen dat wij onszelf mogen binnenlaten in een wereld die niet de onze is.
„Het idee dat ik bijna genetisch gezien ben uitgesloten van verschillende sociaal-culturele domeinen, is voor mij epistemologisch verbijsterend. Wij hebben altijd gewerkt en gestudeerd vanuit het idee dat kennis en studie aan universiteiten ons toegang verschaft tot andere werelden. En laat dat nou net de plekken zijn waar de mensen verblijven die het meest agressief de grenzen bewaken.
„Ik ben een fervent voorstander van de vrijheid van meningsuiting en academische vrijheid. Ik zal je bevechten als je iets zegt waarmee ik het niet eens ben. En ik zal even hard vechten voor jouw recht om dat tegen mij te zeggen. Maar dat is niet langer een wijdverbreide overtuiging in veel Amerikaanse instellingen.”
Fleming was tussen 2016 en 2022 provost van de New York University, „een van de veertig of vijftig universiteiten waar we allemaal onze eigen kinderen op willen krijgen. En een van de veertig, vijftig onderwijsinstellingen waar mensen het altijd over hebben als ze zich boos maken over doorgeslagen politieke correctheid. Je hoeft maar te bladeren door het cursusaanbod van zo’n universiteit en je zult een heleboel vakken vinden waarvan je denkt: Holy cow! Wat léren ze daar?”
Op die universiteiten, zegt Fleming, heeft in de loop van zo’n vier decennia een reeks niet altijd doorzichtige, met elkaar in verband staande verschuivingen plaatsgevonden. „Het begon met vragen over de canon. Hoe komt het dat een bepaald corpus teksten is aangewezen als de sine qua non voor een goede opleiding? Ik zou geneigd zijn te denken dat bijna elke canon goed is. Omdat iedereen er vertrouwd mee is, heb je alvast de basis voor een collectief gesprek. Maar toch, je kunt je afvragen: waarom zit ik hier in Morningside Heights in Upper Manhattan Plato’s Republiek te lezen?”
„Van dat soort terechte vragen hebben we een lange weg afgelegd naar wat ik een bijna radicaal subjectivistisch of identitair standpunt zou noemen: dat het potentieel aanstootgevend is om de cultuur of culturele producten te bestuderen van iemand anders dan jezelf.”
„Laat ik een voorbeeld geven. Toen ik provost was bij New York University kwam een delegatie van de Native American-studentenvereniging me opzoeken. Er was een vacature bij de afdeling geschiedenis en zij vroegen of we die plek zouden willen gebruiken om inheemse cultuur te bestuderen en of we daarvoor een inheemse persoon in dienst zouden nemen. Ik zei: ik ben er helemaal vóór dat we deze plek wijden aan de studie van de inheemse cultuur. Maar ik ga werkelijk niet beloven dat we daarvoor een Native American zullen aannemen. We stellen de functie open en kiezen de beste deskundige.
„Verbijstering. Sommige studenten vonden het onbegrijpelijk dat ik zelfs maar kon denken dat er een persoon zou kunnen bestaan die niet inheems was en die toch ‘beter’ zou kunnen zijn voor die positie dan iemand die dat wel was.
„Deze confrontatie was typerend voor mijn positie daar. Ik moest telkens een beetje terugduwen. Ik moest een wereldbeeld verdedigen dat overal om ons heen snel aan het afbrokkelen is. De stroom raasde langs me heen en ik was als een kleine zalm die probeerde erin vooruit te komen. Het was doodvermoeiend.”
Was zij de enige zalm in die stroom? Voor het eerst in het gesprek laat Fleming een stilte van tien seconden vallen. „Er waren er steeds minder. Soms kwamen mensen na afloop van zulke discussies op me af en zeiden: je had gelijk hoor. En dan dacht ik: hoe is het mogelijk? Deze faculteitsleden met hun vaste aanstelling, letterlijk een baan voor het leven, zijn te bevreesd om er iets van te zeggen.
„Ik denk dat ze zich achterhaald voelen. Vakgroepen beschouwen zichzelf graag als kenniskernen die op het scherpst van de snede opereren. Maar laten we wel wezen, ze zijn allemaal 25 jaar geleden gepromoveerd en sindsdien niet echt verder gekomen dan de leeslijst van 1990.
„Meebewegen met de studenten, die bij deze veranderingen vooroplopen, is voor de docenten een onbewuste manier om zich relevant te voelen. Zo ontstaat er een soort competitie van elkaar links overtroeven. Daardoor is een bepaalde groep helemaal uit van de universiteit verdwenen. Dertig jaar geleden zou misschien 30 procent van het professoraat aan deze instellingen Republikeins zijn. Die zijn allemaal afgehaakt, waardoor de dynamiek nog eens is versneld.
„Vroeger zou het onacceptabel zijn geweest om op de universiteitscampus identiteit-spec Source: NRC