Van de sprookjeswereld van het Cirque du Soleil tot de onderzoekende acrobatiek van There There Company en de speelse choreografieën van Piet van Dycke: het circus kent vele verschijningsvormen. De kern blijft steeds hetzelfde: de mensen op het podium zetten hun lichaam in om hun publiek te verwonderen. Maar hoe voelt het om een salto te maken of iemand op je schouders te dragen? Waaraan denkt een koorddanser, al dansend op het koord? Is een acrobaat bang om te vallen? Drie circusartiesten vertellen wat er in hun lichaam én in hun hoofd gebeurt tijdens het uitoefenen van hun vak.
Circusdiscipline: Evenwichtskoord
Opleiding: Codarts Circus Arts
Eerder gewerkt bij: Cirkus Cirkör, Funicular Circus
Nu werkzaam voor: Below Zero Company, Het Koninklijk Theater van Denemarken en Compagnie with Balls
‘Op het koord laat je je ziel zien. Koorddansen is kwetsbaar: je bent volledig gericht op het houden van je balans en het publiek kijkt daarnaar, ziet hoe je ademhaalt. Er is niets om je achter te verschuilen.
‘Mijn angst aangaan is het belangrijkste deel van mijn vak. De ene keer loop ik op enkele meters van de grond in het theater, de andere keer stap ik op twintig meter hoogte van gebouw naar gebouw. Het gaat dan niet om wilskracht. Ik ga methodischer te werk: waar ben ik precies bang voor? Is dat redelijk? Kan ik er iets aan doen? Wanneer ik tijdens de training uitgeput ben van alle sprongen die ik heb gemaakt, zie ik een beetje wazig en trilt het koord hard. Misschien stap ik wel mis! Dan leg ik een extra mat neer, zodat ik weer verder kan.
‘Het is verleidelijk om mijn adem in te houden op het koord. Soms, wanneer ik bang ben, zing ik. Als het me niet lukt om te zingen, praat ik, hardop of in mijn hoofd. ‘Ik loop, ik loop, ik stap, ik stap. Ik blijf lopen. Ik ga door’.
‘Buiten blaast de wind om mijn lijf en schijnt de zon in mijn ogen. Ik heb veel getraind met een blinddoek om, dus het geeft niet als ik niets zie. Ik stel me voor waar ik wil dat mijn lichaam is in de ruimte en hoe dat zou voelen, daarna check ik of dat strookt met de werkelijkheid. Ook focus ik op de strekking die vanuit het midden van mijn rug omhoog loopt, via mijn schouderbladen, mijn nek, tot aan het puntje van mijn hoofd en verder. Daarnaast voel ik de connectie met beneden, die loopt door mijn staartbeen, langs de achterkant van mijn benen tot aan mijn hielen. Die lijn houd ik aan, alle spieren eromheen ontspan ik zoveel mogelijk.
‘Iedere beweging die ik maak, gaat door het koord heen en komt bij mij terug. Door extra op het koord te duwen of me juist te ontspannen, kan ik die trilling verminderen. Ik werk vaak met een springveer, die maakt van het koord een hele smalle trampoline. Op een lang en hoog koord gebruik ik juist zijlijnen zodat het niet heen en weer gaat zwaaien. Als er daardoor een kleine hoek in komt, voel ik dat aan de reacties van het koord.
‘Het heeft iets geruststellends om geregeld zonder veiligheidslijn te werken. Om heel eerlijk na te moeten gaan: is dit nog veilig, voel ik me goed? Ik heb de adrenaline niet nodig, maar vind het interessant om te onderzoeken wat ik mentaal en fysiek aankan.
‘Vroeger was ik heel verlegen. Het koorddansen voelde als een eerste, veilige stap om met publiek om te gaan. Je mag je concentreren op je balans, maar wordt wel gezien. Het fysieke leerproces is daarnaast lang en saai. Dat past bij mij. Ik ben koppig en geef niet op.
‘Op de dagen dat ik acht uur alleen doorbreng met mijn koord, voelt ze als mijn partner. Dan weet ik: she’s got me. Wij tegen de rest.’
Circusdiscipline: (Dynamisch) Touw
Opleiding: Academy of Circus and Performance Art
Eerder gewerkt bij: Cirque Pardi, Balich Wonder Studio
Nu werkzaam voor: Panama Pictures
‘Ik heb hoogtevrees. De eerste keer dat ik iemand hoog in het touw bezig zag, was ik diep onder de indruk. Dat meisje had zo’n moedige, explosieve manier van bewegen, dat wilde ik ook. Met kloppend hart klom ik tijdens mijn training naar zes meter hoogte. Iedere keer ging ik iets hoger en dan bleef ik daar een tijdje zitten. De adrenaline zakt uiteindelijk altijd weer. Tegenwoordig maak ik pirouettes op zeven en salto’s op tien meter hoogte, waarbij ik zelfs even loskom van het touw. In periodes dat ik minder vaak train, merk ik dat de angst weer terugkomt.
‘Een complexe truc leer ik in delen, ik voeg steeds een stukje bij. Voor een pirouette moet ik zorgen dat ik mezelf hoog optrek en vervolgens mijn lichaam in één lijn omhoog beweeg vanuit mijn heupen. Daarna moet ik mijn benen op de juiste manier terugzwaaien langs het touw, zodat ik mijn momentum niet verlies. Dan laat ik los en draai snel om mijn as. Nog voor ik het touw weer zie, ben ik al bezig met het vangen ervan.
‘Het is bevrijdend om even de zwaartekracht te overwinnen en een enkel moment lang gewichtsloos te zijn. Ik vind het heerlijk om mijn grenzen op te zoeken. Wanneer ik moe ben en bijna geen grip meer heb, speel ik een spelletje met mezelf: hoeveel meer kan ik nog?
‘Het kostte me viereneenhalf jaar om mijn salto consistent te leren opvangen. Zelfs nu bestaat de kans nog altijd dat ik misgrijp en naar beneden val. Dat hoort erbij. Ik geniet er zelfs van: het maakt mijn werk spannend en raakt aan de realiteit van het ‘echte’ leven. Wanneer ik erg moeilijke elementen uitvoer, staan er mensen onder mij die in het geval van een val een dikke mat omhoog gooien, tegen mijn vallende lichaam aan. Zo wordt mijn val al in de lucht gebroken, anders zou de klap te hard zijn. Als ik val tijdens een optreden, ga ik daarna direct weer naar boven om het publiek te laten zien dat ik in orde ben.
‘Bij bekende, veel geoefende bewegingen laat ik mijn bewustzijn door mijn hele lichaam dansen. Ik beweeg dan moeiteloos van de ene naar de andere figuur. Er ontstaat ruimte om aandacht te besteden aan details en meer complexiteit te leggen in de manier waarop mijn hand het touw pakt, mijn voet zich strekt. Dat is een fijne ervaring.
‘Het touw heeft een eigen persoonlijkheid. Je kunt niet zomaar alles doen wat je wilt, je moet rekening houden met de zwaartekracht en het risico in de knoop te raken. Ik vind het interessant om binnen die begrenzing op zoek te gaan naar steeds nieuwe manieren van bewegen.
‘Vooral de luchtwerkdisciplines zoals touw doen pijn, zeggen circusartiesten, omdat je met je hele gewicht aan een klein oppervlak hangt. Maar pijn voelt niet altijd hetzelfde. Wanneer ik aan mijn knieën of ellebogen in het touw hang, trekt mijn huid nog net zoveel als toen ik dat voor het eerst deed, maar ik interpreteer het nu anders. Het is een heftige sensatie, maar niet iets waarvan ik overstuur hoef te raken, weet ik nu. Ook mijn lichaam past zich aan: ik krijg minder blauwe plekken dan voorheen.’
Circusdiscipline: Banquine
Opleiding: Codarts Circus Arts
Eerder gewerkt bij: Boost Producties
Nu werkzaam voor: Theatre d’un Jour, Tête-bêche (eigen gezelschap)
‘In de lucht heb je veel tijd om na te denken. Ik vertrouw mijn partners blind, maar wanneer ze me zes meter de lucht in gooien en ik niet word afgeleid door ingewikkelde salto’s of pirouettes, voel ik kriebels in mijn buik: ‘Ik hoop maar dat ze me vangen!’ Als we niet goed op elkaar zijn afgestemd, voel ik de schok van het neerkomen door mijn hele lichaam. Vooral bij een finish in handstand hoop ik op een zachte landing.
‘Mijn twee mede-acrobaten vormen een soort matje met hun handen waar ik op sta. Daarmee gooien ze me omhoog en vangen me weer op. Ik houd van die samenwerking en dat gevoel van vrijheid: we hebben niets anders nodig dan onze lichamen.
‘Voordat de jongens mij de lucht in kunnen gooien, hebben we een ‘tempo’ nodig om af te tellen en vaart te maken. Hoe beter dat tempo aan elkaar zit – hoe beter onze bewegingen op elkaar aansluiten – hoe meer hoogte ik kan maken. Soms voel ik dat het niet helemaal klopt, dat ik iets te snel ga, of dat ze twijfelen. Ik probeer dat dan in mijn lijf te compenseren. Dat is funest: ik moet me richten op mijn eigen rol, op de bewegingen die ík moet maken en de timing die ík moet aanhouden. Alleen dan kunnen zij mijn reacties goed inschatten en passend reageren.
‘Al wanneer we samen opwarmen – ik sta in de handen van mijn partners, we zakken iets in, gaan weer iets omhoog, nog zonder mij op te gooien – voel ik in welke staat iedereen zich bevindt. Wie is er moe, bij wie gaat het niet zo lekker, wie heeft extra energie? Hoe makkelijker de opwarming gaat, hoe meer vertrouwen ik voel. Op een goede dag durf ik meer.
‘Het zijn de jongens die mij hoogte geven, zelf hoef ik niet hard af te zetten. Mijn taak is om rigide te blijven, zodat de kracht die zij mij meegeven via mijn polsen en schouders in handstand, of via mijn voeten en benen wanneer ik rechtop staand vertrek, zich vertaalt in hoogte. Vroeger spande ik steeds ál mijn spieren aan, dat is ontzettend vermoeiend. Nu gebruik ik precies de spieren die ik nodig heb en kunnen we meerdere trucs achter elkaar uitvoeren.
‘Het succes van moeilijke trucs wordt bepaald voordat ik de lucht in ga. Het tempo daarvoor kent drie stappen. Eén: we gaan een stukje omhoog om te aan te geven dat we gaan beginnen, twee: we gaan weer naar beneden en drie: we gaan met kracht omhoog om mij op te gooien. Bij een anderhalve salto vanuit handstand, met een landing op mijn voeten in de handen van mijn partners, moet ik nét voordat ik loskom mijn richting inzetten: op de tweeënhalf. Die timing is moeilijk. Soms val ik bij de twee al uit mijn verti Source: Volkskrant