Home

Joke van Leeuwen: ‘De buitenkant wordt ouder, maar in mijn hoofd ben ik nog net zo springerig als altijd’

‘Pak de lift maar. Het is op de zevende verdieping’, kraakt een stem door de intercom. ‘De lift zit rechts.’

‘Ja, dat was de voornaamste reden dat ik hier ben gaan wonen. Hiervoor woonde ik in een herenhuis, maar ik kreeg last van mijn knieën omdat ik elke keer al die trappen op en af moest. Dus nu woon ik hier en heb ik er geen last meer van.’

De ‘hier’ in die laatste zin is een prachtig appartement in het centrum van Antwerpen met aan weerszijden grote ramen waardoorheen je de Vlaamse dageraad iedere dag ziet komen. En de ‘ik’, dat is Joke van Leeuwen (70), een van de succesvolste kinderboekenschrijvers van Nederland. Waarbij meteen moet worden opgemerkt dat de term kinderboekenschrijver onvoldoende is om Van Leeuwen te beschrijven. Ze is namelijk veel meer dan dat.

Cabaretier bijvoorbeeld, dichter, illustrator, acteur en romanschrijver (deze maand verschijnt haar nieuwste boek, verteld vanuit het perspectief van een man die zijn vriendin manipuleert en kleineert), maar ze is ook fluitenverzamelaar, getuige de imposante hoeveelheid fluiten aan de muur van haar woonkamer. Die begon ooit toen ze als souvenir een fluitje meenam van een verre reis, maar liep al vrij snel uit de klauwen toen mensen begonnen te denken dat ze echt een gepassioneerd fluitenverzamelaar was en haar opeens inheemse neusfluiten cadeau begonnen te doen.

Maar eerlijk is eerlijk: het past wel bij Van Leeuwen, een vrouw die boeken schrijft vol personages met namen als Warre, Bobbel of Iep – Iep is haar beroemdste creatie – die vaak behoorlijk grotemensenachtige problemen voorgeschoteld krijgen, maar daar altijd lichtvoetig mee omspringen. En er bovendien op reflecteren in prachtige taal (‘Het huis was zo groot, dat oom Fok en tante Zus elkaar regelmatig kwijt waren. Vroeger gingen ze elkaar dan meteen zoeken, maar dat deden ze nu niet meer.’).

Haar boeken staan vol dwarsdenkers in de goede zin van het woord: niet omdat ze koste wat kost dwars willen zijn, maar omdat ze nadenken en daarom soms vraagtekens plaatsen bij de geldende norm. Net als Van Leeuwen zelf altijd doet. ‘In mijn kindertijd waren er nog echt jongens- en meisjesboeken’, zegt ze bijvoorbeeld. ‘Ik had een pesthekel aan die meisjesboeken, dus begon ik zelf verhalen te schrijven vol avontuurlijke meisjes.’

Het is een eigenzinnigheid die nooit wegging en ervoor zorgt dat ze wars van conventies is, zich groen en geel ergert aan ‘mensen die achter zo’n apparaatje zitten en blijkbaar niet doorhebben wat de gevolgen zijn van de haattroep die ze uitkotsen’ en vuur in haar ogen krijgt zodra ze over het marktdenken in Nederland begint. ‘Dat is iets waar ik al ruim twintig jaar een ontzettende hekel aan heb’, zegt ze.

‘Er is een heel diepe put geweest in de Nederlandse cultuursector dankzij die Halbe Zijlstra met zijn hakbijl (als staatssecretaris van OCW besloot Zijlstra bijna een kwart van de cultuursubsidies weg te saneren, red.). We waren zo druk met het vergaren van rijkdom dat we zijn vergeten dat er ook nog zoiets bestaat als maatschappelijke rijkdom. Waarom zijn er anders zo weinig mensen in de zorg en zo weinig leerkrachten? Dat komt omdat het allemaal om winst draait. Maar de mooiste dingen in het leven zijn helemaal niet meetbaar in euro’s of verkoopcijfers. Zo zijn er kwalitatief fantastische boeken die veel te weinig verkopen en erg slechte boeken die als een tierelier verkopen.’

Dat er ook kwalitatief hoogstaande boeken zijn die wél als een tierelier worden verkocht, bewijst Van Leeuwen zelf al een carrière lang. Ze debuteerde in 1978 met De Appelmoesstraat is anders, won in 1979 voor de eerste maal zowel de Zilveren Griffel (voor haar tekst) als het Gouden Penseel (voor haar tekeningen) voor Een huis met zeven kamers. Die dubbel herhaalde ze in 1981 met Magnus en in 1985 met Deesje. Tussendoor won ze in 1978 ook nog alle beschikbare cabaretprijzen op het Camerettenfestival. Later volgden een zwik Griffels en Penselen, net als de Gouden Uil en de Woutertje Pieterse Prijs. Voor haar eerste dichtbundel voor volwassenen (Laatste lezers) kreeg ze prompt de C. Buddingh’-prijs. Ze won de AKO Literatuurprijs met haar roman Feest van het begin en kwam met De onervarenen terecht op de shortlist voor de Libris Literatuur Prijs.

In totaal schreef ze, dankzij een blijkbaar nooit uitgeputte geestdrift, ruim zeventig boeken en bundels, waaronder twee kinderboekenweekgeschenken, waarmee ze in totaal 24 prijzen won. Daarnaast zette ze zich in voor Amnesty International, verhuisde ze na haar scheiding 21 jaar geleden naar Antwerpen, waar ze in 2008 twee jaar stadsdichter werd en was ze jarenlang voorzitter van PEN-Vlaanderen, een schrijversorganisatie die zich inzet voor de vrijheid van meningsuiting.

‘Ja, maar ik ben ook al iets van 45 jaar bezig, hè.’

‘Er zijn weleens dagen dat het niet lukt. De laatste tijd niet meer, maar ik herinner me dat van vroeger. Dan is het zaak even van je bureau weg te gaan, te gaan wandelen of boodschappen te doen en dan komt het vanzelf weer terug. Verder gaat het gewoon door. Niet omdat ik een workaholic ben die spanning zoekt of geen andere dingen omhanden heeft. Het is blijkbaar iets wat mij drijft. En dat maakt mij denk ik een gelukszak. Ik ken genoeg mensen die in hun werk last hebben van vervelende leidinggevenden waardoor ze zich niet echt kunnen ontplooien en al dat soort ellende. Ik heb dat gelukkig niet en ik kan er nog van leven ook.’

‘Nee, ik neem elke leeftijd even serieus. Als ik voor volwassenen schrijf, is het hoogstens iets complexer. Maar uiteindelijk zijn er altijd vijf dingen die belangrijk zijn wanneer ik schrijf. Er is natuurlijk de stijl, dat is één. Verder baseer je je op eigen ervaring. Er zit observatie in, onderzoek en verbeeldingskracht. Als ik voor kinderen schrijf, leun ik wat meer op mijn verbeeldingskracht en als ik een historische roman voor volwassenen schrijf, doe ik vooral veel onderzoek. Verder probeer ik het zoveel mogelijk af te wisselen. Dan weer een kinderboek, dan weer iets voor volwassenen. Dat is eigenlijk maar één keer misgegaan, namelijk toen ik in mijn persoonlijke leven een nogal ingewikkelde periode meemaakte. Toen merkte ik tijdens het schrijven dat het niet ging, waarop ik mijn roman even heb weggelegd en een vrolijk, mooi kinderboek ben gaan maken. Ik had behoefte aan iets wat mij plezier gaf, met versjes en getekende alfabetten. Ik had behoefte aan iets lichts. En toen het gedoe in mijn privéleven voorbij was, heb ik die roman weer opgepakt en afgemaakt.’

Maar, zo voegt Van Leeuwen snel toe, daarmee bedoelt ze nadrukkelijk niet dat haar kinderboeken alleen maar lichtvoetig zijn en haar volwassenenromans zwaar. Dat heeft ze gemeen met de Italiaanse schrijver Italo Calvino, van wie ze alle boeken in haar kast heeft staan. Hij dacht aan het begin van zijn carrière dat je ernstige zaken moest schrijven met een ernstige toon, tot hij erachter kwam dat dat helemaal niet hoefde en hij de term ‘nadenkende lichtheid’ muntte: juist over serieuze dingen kun je heel goed in een lichte toon schrijven. Niet voor niets gingen de laatste kinderboeken van Van Leeuwen over vluchtelingen en overstromingen, terwijl haar nieuwste roman, Ik dacht dat jij, juist doorspekt is met humor, ook al is het onderwerp zwaar.

‘Humor is voor mij een soort leefkracht’, zegt Van Leeuwen. ‘Mijn nieuwste boek gaat over wat je tegenwoordig in het Nederlands gaslighting noemt: iemand die zijn partner continu kleineert en manipuleert. Dat is een zwaar onderwerp, maar ik vond het belangrijk mijn hoofdpersonage – dat ik uit meerdere mensen heb samengesteld – toch een toon te geven die laat zien dat hij ook humor heeft, ondanks zijn manipulatieve gedrag.’

In dat boek beschrijft Van Leeuwen hoe een op het oog charmante en grappige kunstenaar in werkelijkheid een tot op zijn wortels ontevreden, jaloerse en dominante man is met een continue drang zijn vriendin te kleineren. Meestal via vervelende opmerkingen, soms ook via geweld. Na een van die mishandelingen schrijft ze bijvoorbeeld hoe de vriendin van de kunstenaar een pleister tot zijn ergernis dagenlang liet zitten, alsof ze hem wilde uitdagen.

‘Ze stond in de keuken preiringen te snijden en het leek of ze die prei aan het vermoorden was. Ik hou niet van prei.

Die pleister is denk ik niet meer nodig, zei ik tegen haar rug.

Ze was dikker rond haar middel dan toen ik haar leerde kennen.

Wil je alsjeblieft uit de keuken gaan, zei ze.

– Waarom? Het is ook mijn keuken.

Omdat ik even rust wil, zei ze.

– O? Ga je weer zielig doen?

Ze zei dat ze bij mij almaar op eieren moest lopen, maar dat moest ze niet zeggen, ze moest niet zeggen dat ze bij mij op eieren moest lopen. Dat pikte ik niet. Ik opende de koelkast en pakte twee eieren die daar niet moesten staan uit hun voorgevormde kommetjes en smeet ze op de keukenvloer. Dan kon ze eens goed op eieren lopen.

Ze draaide zich niet om. Het leek of ze zachtjes huilde, maar dat was toneelspel.’

‘Ja, en daar heeft hij moeite mee. Hij heeft een probleem dat denk ik nogal eens voorkomt en voortkomt uit een onzekerheid die diep van binnen zit en die hij niet kan accepteren. Dat uit zich vervolgens in dominant gedrag. Hij is ook jaloers als zijn vrouw succes heeft. Source: Volkskrant

Previous

Next