Home

Indonesië-oorlog mag geen folklore worden

N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.

Sinds de onafhankelijkheid van Indonesië verschenen berichten over Nederlands koloniale verleden weliswaar met de regelmaat van de klok, maar de media schonken nauwelijks aandacht aan het gewelddadige einde van een lang tijdperk. Aan het Binnenhof lag in reuzenformaat een handgeknoopt tapijt waaronder de gruwelzooi netjes werd weggeveegd. Helaas, het tapijt is door het draaien van de wind gaan vliegen. Aanvankelijk niet bijster hoog boven het Torentje, toen ex-militair Joop Hueting als eerste op de nationale televisie in 1969 sprak over zijn optreden tijdens wat men noemde ‘politionele acties’. Hij waagde het zowaar te spreken over „de koloniale oorlog” en zei dat hij en zijn kameraden „oorlogsmisdaden” hadden gepleegd.

Alfred Birney is schrijver. In 2017 won hij de Libris Literatuur Prijs voor zijn boek De tolk van Java.

Oei! Inderhaast kwam in datzelfde jaar de Excessennota uit. Op grond van dit ambtelijk bronnenonderzoek kwam het kabinet-De Jong tot de slotsom dat de Nederlandse krijgsmacht, „op een reeks excessen na”, „zich als geheel correct” had gedragen. Die conclusie geldt officieel nog altijd als regeringsstandpunt. Of misschien ook niet: premier Mark Rutte sprak namelijk eens op een persconferentie van „structureel geweld”. De sociologen en ex-militairen Jacques van Doorn en Wim Hendrix kwamen, geschokt door de gewelddadige praktijken van hun eigen legeronderdeel, al in 1970 met hun publicatie Ontsporing van geweld tot die conclusie. Nederlands militairen hadden structureel grof geweld gebruikt tegen de burgerbevolking. Het boek kreeg nauwelijks aandacht.

Zo gaat het al jaren. Talloze publicaties zien het levenslicht, maar lezers vormen niet meer dan een kleine groep geïnteresseerden. Op een dag kreeg ik de toenmalige hoofdredacteur van het niet meer bestaande actualiteitenprogramma Nova over de vloer. Hij, Ad van Liempt, had zijn boek Een mooi woord voor oorlog (1994) al op zijn naam staan en deed vooronderzoek voor zijn publicatie De lijkentrein (1997). Ik vroeg hem terloops waarom er zo weinig belangstelling was voor de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië, die Nederland met grof geschut de kop in wilde drukken. Hij stelde: „Ik ben een freak. Indië is voor freaks. Er zijn naar schatting zo’n drieduizend Indië-freaks in Nederland, meer niet.”

Ad van Liempt doelde waarschijnlijk op het aantal exemplaren dat hij dacht te zullen verkopen. Hij kreeg het voor elkaar om iets over die koloniale oorlog in het NOS-journaal te krijgen, waarop landelijke kranten zich hogelijk verbaasden. Indonesië op het journaal? De overdracht van Hongkong door het Verenigd Koninkrijk aan China was toch veel belangrijker?

Zo, en waarom dan wel niet? Nou, wellicht speelde er een treurwalsje op de achtergrond omdat Engeland een van zijn laatste koloniale restjes teruggaf aan een Aziatisch land. Nederland en Engeland waren ooit toch geen kleine spelers die met hun oorlogsschepen wereldzeeën en Azië onveilig maakten. Geeft toch wel enige verbondenheid tussen beide landen, inclusief een paternalistische houding jegens ooit onderworpen gebieden.

Het is níet zo dat er helemaal níets gebeurde onder het bijkans onverslijtbare tapijt aan het Binnenhof. Het wilde er natuurlijk wel eens spoken. Het leek wel alsof er VOC-penningen in het weefsel zaten opgesloten, vervloekt en wel door wat Louis Couperus thans, wie weet, Stille kracht 2.0 zou zijn genoemd. In 1991 kwam namelijk het Indisch Platform op verzoek van toenmalig minister-president Ruud Lubbers (CDA) tot stand. Aanleiding was een incident rond de Japanse premier die op 19 juli van dat jaar een krans had gelegd bij het Indisch Monument in Den Haag. Demonstranten gooiden de krans in het water en Lubbers kreeg een maand later bij de jaarlijkse herdenking op de 15e augustus een ei naar zijn hoofd geslingerd. Hij wilde wel overleggen met de demonstranten, op voorwaarde dat die zich bundelden tot één organisatie.

Het haastig opgerichte Indisch Platform definieerde de ‘Indische gemeenschap’ als „alle Nederlanders en hun afstammelingen die afkomstig zijn uit het voormalig Nederlands-Indië en voormalig Nederlands Nieuw Guinea, of aldaar verbleven”. Een paar miljoen dus. Bij het platform waren uiteenlopende Indische en Molukse organisaties aangesloten. Het platform wilde erkenning om het ‘Indisch verdriet’, financiële compensatie van oorlogsschade, uitbetaling van gederfde salarissen vanwege Japanse gevangenschap plus smartengeld.

De Stichting Het Gebaar werd in het leven geroepen en er kwam een gift voor iedereen die na de oorlog uit Indonesië in Nederland was aangekomen. Voor de niet-uitbetaalde salarissen van Indisch overheidspersoneel kwam tevens een symbolisch bedrag. In 2017 werd Museum Sophiahof opgericht en in 2020 kwam er twintig miljoen extra voor projecten op het terrein van de collectieve erkenning van de Indische gemeenschap. De afsplitsing Indisch Platform 2.0 zag dit nieuwe gebaar als een afkoopsom van het eigenlijke rechtsherstel. En zo gaat dat door, nee, het wordt ingewikkelder want ik heb iets belangrijks overgeslagen in de politieke postkoloniale soap.

Als het onderzoek straks klaar is, zijn twee van de twaalf delen voor de Indonesische stem. Dat vind ik wel wat zuinig

In 2011 won de KUKB, Stichting Komite Utang Kehormatan Belanda (Ereschuldcomité onder aanvoering van Jeffry Pondaag), een rechtszaak aangespannen door Indonesische slachtoffers en nabestaanden van Rawagede. Ruim vierhonderd Indonesische mannen waren daar in 1947 standrechtelijk door Nederlandse militairen geëxecuteerd. Nederland moest excuses maken en een schadevergoeding van twintigduizend euro betalen aan de weduwen van Rawagede.

Nu vele toestanden rond de Indische gemeenschap – voor zover die bestaat – wel zo’n beetje lijken te zijn geregeld, richt de aandacht zich meer en meer op de Indonesiërs. Vooral hún perspectief is nu van groot belang geworden.

Er is altijd een komende en gaande belangstelling geweest voor koloniale en postkoloniale geschriften. Dominant in de canon waren ze nooit, de Max Havelaar (1860) uitgezonderd. Tot 2016. Sinds dat jaar is de schrijflust bij allerlei publicisten niet meer te stoppen en verschijnt er elke week wel weer een nieuw boek, met veelal belegen gezichtspunten, nog afgezien van al die boeken die dagelijks in eigen beheer worden uitgegeven. Het tapijt is nu echt gaan vliegen, het Binnenhof komt structureel straatvegers tekort.

In maart van dat memorabele jaar 2016 verscheen Roofstaat van Ewald van Vugt, die al ruim dertig jaar over koloniale misstanden publiceerde, ongeveer gelijktijdig met de roman De tolk van Java van ondergetekende. Een half jaar later verscheen De brandende kampongs van Generaal Spoor van Rémy Limpach, een becommentarieerde bloemlezing van geschiedenisboeken.

Een jaar eerder was al na veel soesa binnen de kabinetten-Rutte I en II besloten om 4,1 miljoen euro vrij te maken voor onderzoek naar oorlogsmisdaden tijdens onze laatste grote koloniale oorlog. De daarmee belaste instituten riepen samen te willen werken met Indonesiërs, maar er viel in het Amsterdamse debatcentrum De Zwijger geen Indonesiër te bekennen bij de kick-off van het onderzoeksproject ODGOI.

Watte? ODGOI? Het lijkt wel godslastering, maar die afkorting verwijst naar het onderzoeksproject Onafhankelijkheid, Dekolonisatie, Geweld en Oorlog in Indonesië, 1945-1950.

„Wij hebben geschoten, maar jullie hebben teruggeschoten”, aldus opgetekend uit de mond van een der onderzoekers. Die wist al niet dat pemoeda’s en pemoedi’s, scholieren hunkerend naar een vrij Indonesië, nota bene met houten geweren de Hollanders te lijf waren gegaan!

Toen De tolk van Java in 2017 de Libris Literatuur Prijs had gewonnen, gaf Rutte het boek als vakantielectuur mee aan de ministerraad, dat met reces ging. Misschien om ze fijntjes te laten weten dat er al genoeg geschreven was over die koloniale oorlog, want in dat ODGOI had hij aanvankelijk niets gezien en wie weet nu nog niet. Ikzelf was ook tegen het onderzoek uit vrees voor oude feiten in een nieuw jasje. Liever zag ik naar het Nederlands vertaalde Indonesische geschiedenisboeken deze kant op komen. Dus geen inclusiviteit maar exclusiviteit, geachte historici!

Taman Fatahillah in Jakarta, waar toeristen en dagjesmensen een fiets huren om een rondje te rijden over het plein. Foto Joel Carillet / Getty Images

Het onderzoek is afgerond en de oogst moet een dozijn boeken worden. Een samenvatting van de teksten is door Gert Oostindie alvast gepresenteerd in 2022 onder de titel Over de grens; Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949. Twaalf boeken! Er zit voor zover ik weet één deel bij dat door een gezamenlijke redactie van Indonesische en Nederlandse historici is geschreven (Revolutionary Worlds) en één deel (Onze revolutie) alleen onder redactie van Indonesiërs – inclusiviteit, toch? – die een aanstelling hebben aan de Gadjah Mada Universiteit in Yogyakarta. Het is een bloemlezing van allerlei Indonesische geschriften. Maar twee op twaalf vind ik wat zuinig voor de Indonesische stem. Je zou de samenstellers Abdul Wahid en Yulianti als een trainer en assistent-trainer van het tweede team kunnen zien. Nou, laat ik maar niet al te zuur doen en optimistisch roepen dat dit toch een prelude lijkt op het gamelang Source: NRC

Previous

Next