De 24 uur van Le Mans, de ultieme langeafstandsrace, bestaat een eeuw. In deze rijke historie hebben vele hartverscheurende uitvalbeurten in de slotfase van de race plaatsgevonden. Een 24-uurs race vraagt veel inspanningen, zowel fysiek als mentaal, dus een uitvalbeurt is hoe dan ook een flinke aderlating. Sommigen springen er echter bovenuit.
Voor deze lijst hebben we de meest jammerlijke en dramatische uitvalbeurten uitgekozen. Het verhaal van de race voorafgaand aan het incident is in beschouwing genomen, net als het potentiële resultaat dat het desbetreffende team binnen had kunnen slepen. Diskwalificaties zijn niet meegenomen, dus enkel mechanische problemen en rijdersfouten die laten zien dat Le Mans één van de lastigste race ter wereld is worden opgenoemd.
Pedro Lamy, Paul Dalla Lana en Mathias Lauda vormden in de tweede helft van het vorige decennium één van de beste GTE Am-teams in het WEC. Tussen 2015 en 2019 stond het trio maar liefst dertien keer op de hoogste trede van het podium en in 2017 leverde ze dat het GTE Am-kampioenschap op. Toch glipte de overwinning in de 24-uurs race iedere keer weer door de vingers, waarvan 2015 het pijnlijkste voorbeeld is. Ze werden gezien als de onbetwiste favoriet voor de race, zo erg dat men in de paddock al zei dat de race slechts een formaliteit zou zijn.
In het laatste uur ging het echter helemaal mis, toen de Canadese ondernemer Dalla Lana - één van de beste bronzen coureurs - tijdens zijn out-lap op oude banden de controle verloor bij de Ford-chicane. De Vantage was ernstig beschadigd, waardoor de overwinning naar het SMP Racing Ferrari-team en Russische coureurs Viktor Shaytar en Aleksey Basov en Italiaan Andrea Bertolini ging. Lamy heeft de smaak van champagne eerder in 2012 al een keer kunnen proeven, maar helaas won Dalla Lana nooit de befaamde race in Frankrijk.
Tijdens de jaren 60 was Ferrari het dominante merk in Le Mans. Vaak was het enkel de vraag welke Ferrari er zou gaan winnen. "Dit heeft misschien geleid tot een relatief saaie Le Mans in 1961, maar dit had zeker niet te maken met twee factoren", schreef Anders Ditlev Clausager in Le Mans 1923-99, Volume One. "De levendige prestatie van de gebroeders Rodriguez en de verschijning van de auto van Richie Ginther en Wolfgang von Trips met een 2.4-liter motor in het midden van de auto." Ricardo en Pedro Rodriguez waren jong maar hadden al ervaring opgedaan op Le Mans door in 1959 samen een auto te delen. Nog belangrijker: ze waren rap. Samen met hun drieliter Testa Rossa van NART [North American Racing Team] streden ze tegen dezelfde bolide van Olivier Gendebien/Phil Hill en Willy Mairesse/Mike Parkes, alsmede tegen de Ferrari van Ginther/von Trips.
De NART-auto nam de leiding in de beginfase van de race, maar de leiding ging vervolgens heen en weer tussen de teams, ook toen er regen neerkwam op de late zaterdagavond. Mairesse/Parkes en Von Trips/Ginther verloren in de nacht veel tijd, waardoor het aankwam op Gendebien/Hill - winnaars van 1958 - en NART. Na veertien uur zaten er slechts tien seconden tussen beide auto's.
Op zondagochtend verloren de Rodriguez-broeders echter een half uur door een misfire, waardoor ze naar de vierde plaats zakten. Hoewel ze nog geprobeerd hebben de tijd in te halen door de gillende V12 vol open te gooien, mocht het toch niet baten. "Het publiek steunde de Mexicaanse broers de hele race lang en men liet hun teleurstelling blijken toen de auto zich terugtrok uit de race", schreef Autocar. "Zonder de Rodriguez-broers was het een bijzonder saaie Le Mans geweest."
Ricardo - die de snelste ronde neerzette - reed nog één Le Mans in zijn leven voordat het noodlot toesloeg tijdens de Mexicaanse Grand Prix van 1962 en hij overleed. Zijn broer Pedro was dapper genoeg om door te gaan en won de Le Mans wel nog in 1968, samen met Lucien Bianchi in een John Wyer Automotive Engineering Gulf Ford GT40.
Nog verslagen van het verlies het jaar ervoor maar geholpen door investeringen van Woolf Barnato bracht Bentley - de winnaar van 1924 - in 1926 drie auto's naar de 24 uur van Le Mans. Alledrie deden ze vooraan mee voor de overwinning, maar helaas vielen twee van de drie auto's uit door motorproblemen.
Wat overbleef was de Bentley van Sammy Davis en Dudley Benjafield, voorzien van drieliter Sport-motor, een lichtgewicht frame en andere aanpassingen om de raceauto sneller te maken. Zodra de andere twee Bentley's waren uitgevallen werd het tempo door Davis opgevoerd om de druk naar Lorraine-Dietrich van Gerard de Courcelles en Marcel Mongin op de tweede plek op te voeren. Met een half uur te gaan had hij Mongin ingehaald, ondanks dat de remmen het moeilijk hadden. Hij waagde een poging om hetzelfde te doen op de leider in Mulsanne Corner.
Davis vergooide echter zijn kansen toen hij te veel risico nam, waardoor hij in de grindbank terecht kwam. De race eindigde voordat hij de auto er weer uit kreeg. Dit betekende dat - ondanks dat ze genoeg afstand hadden afgelegd voor P4 - dat ze niet werden geclassificeerd.
De meeste grote Franse autoproducenten sloegen de Le Mans in 1927 over, waardoor Bentley de favoriet was. Het Britse automerk won, maar deed dat op een opmerkelijke manier. De meeste teams vielen uit door de beroemde White House crash en de enige die door kon rijden - 'de oude nummer 7', diezelfde auto die Davis een jaar ervoor in het grind zette - ging de strijd aan met de drieliter Aries van Jean Chassagne en Robert Laly. Meerdere auto's waren betrokken bij de crash, waaronder alle drie deelnemende Bentley's. Davis, die zijn auto wederom deelde met Benjafield, kreeg het voor elkaar om toch door te kunnen rijden, maar was de leiding wel verloren aan de Aries.
Het frame van de Bentley was verbogen, maar er bestond nog steeds een kans om te winnen doordat de Aries de enige auto met een grote motor was. Terwijl Davis en Benjafield er alles aan deden om hun Bentley heel te houden, leek het erop dat de Aries er met de overwinning vandoor zou gaan, totdat ze op de zondagochtend 25 minuten verloren door een kapotte startmotor. Davis herpakte de leiding en een spannend slot leek er aan te komen, maar met nog minder dan twee uur te gaan stopte de Aries met een gebroken distributieriem. De gehavende Bentley was zodoende in staat om revanche te nemen voor het ongelukkige einde het jaar ervoor. Ze wonnen met een voorsprong van ruim driehonderd kilometer op tweede plek Samson.
“We bestuurden hem met fluwelen handschoentjes”, herinnert Vic Elford zich over zijn race met de nieuwe Porsche 917 in 1969. Zelfs Porsche geloofde niet dat het onderontwikkelde 4.5 liter monster met een dramatische wegligging het 24 uur vol zou houden. Terwijl Rolf Stommelen de pole pakte en in de zusterauto een angstaanjagende snelheid op het asfalt legde, probeerden Elford en teamgenoot Attwood vooral de finish te halen. Elford legt uit: “ik was ervan overtuigd dat we de finish zouden kunnen halen als we voorzichtig zouden rijden en geen risico’s zouden nemen. En als we zouden finishen, zouden we ook winnen want de snelheid was superieur. Hij was 25 mijl per uur sneller dan alles waar we ooit in hadden gereden. En hij was heel erg lastig te besturen. Richard vond het verschrikkelijk! Ik vond het leuk, want het was zoveel sneller dan alle eerdere auto’s waarin ik ooit had gezeten. Het feit dat de Porsche wat lastiger te besturen was, maakte me niet zo veel uit. Ik was uit mijn rallytijd gewend om te gaan met minder stabiele wagens.”
In de eerste vier uur ging het al mis voor de leidende 917 van Stommelen en Kurt Ahrens, evenals voor de achtervolgende 908/2 van Jo Siffert en Brian Redman. Elford en Attwood namen zo de leiding over. En daar bleven ze, uur na uur. Met vier uur te gaan reed de 917 niet alleen nog rond, het had een voorsprong van vier ronden. Vervolgens sloegen transmissieproblemen toe: de wagen viel uit. Het is nog altijd een van de grootste teleurstellingen uit de loopbaan van Elford: “Iedereen vertelde ons op voorhand dat hij kapot zou gaan. Ik was ervan overtuigd dat we de finish konden halen en zouden winnen. En drie uur voor het einde ging het kapot. Dat was het slechtste 917-moment.”
Ralf Kelleners is waarschijnlijk niet de eerste naam die boven komt drijven wanneer je denkt aan pechvogels op Le Mans. Toch kende hij tweemaal zo veel pech dat hij een plek in deze lijst verdient - en het gebeurde ook nog eens in achtereenvolgende jaren.
De eerste keer was met Porsche in 1997. De 911 GT1 Evo die hij deelde met Yannick Dalmas en Emmanuel Collard deed vanaf het begin in de kopgroep mee. De fabrieks-Porsches hadden een klein maar significant voordeel ten opzichte van de Joest TWR-Porsche die het jaar ervoor gewonnen had. Bob Wollek crashte op zondagochtend met de zusterauto, waardoor Kelleners/Collard/Dalmas de leiding in handen kregen. Toen Kelleners met twee uur te gaan de pitstraat verliet, had hij een ronde voorsprong. Op Mulsanne Straight vatte de Porsche plotseling vlam. Binnen no-time ontstond er een vuurzee. De Duitser kon veilig uit de bolide kruipen, maar de 911 reed geen meter meer. Een olielek bleek de oorzaak, waarna de winst ging naar een jonge Tom Kristensen.
Kelleners maakte voor het daaropvolgende jaar de overstap naar het nieuwe Toyota-team met de GT-One. De twin-turbo 3.6 liter V8 die hij deelde met Thierry Boutsen en Geoff Lees nam de leiding in handen toen de zusterauto van Martin Brundle, Eric Helary en Collard tegen problemen aanliep. Op zaterdagavond moest de leiding worden afgestaan aan Porsche na versnellingsbakproblemen, maar de 911 GT1-98’s kenden zo hun eigen problemen. Daardoo Source: Motorsport