Home

Lezen is net zoiets geworden als je tanden flossen: je kunt altijd nog jókken dat je het doet

De media dienen ons onafgebroken onheilspellende verhalen toe over de gevaren van ‘ontlezing’. Ze doen me, met hun gedreig en gepleit, telkens denken aan een tv-programma uit de jaren negentig met een uiterst merkwaardige titel, die me altijd is bijgebleven: Kunst… omdat het moet!

De vlag dekte beslist de lading. Volgens de toenmalige Mediawet móést 25 procent van de programma’s iets met kunst te maken hebben. Het idee was daarmee kunst toegankelijker te maken voor mensen die geen ‘gelegenheid’ hadden om naar een museum, schouwburg of concertgebouw te gaan.

Het lastige was, en is, dat de meeste mensen al zovéél moeten. In hun vrije tijd kijken ze dan liever niet naar stoffige documentaires over mystieke Jemenitische volkskunst of, voor het oor van de leek, nogal snauwerig klinkende Chinese opera’s. Gelukkig werd Kunst… omdat het moet! uitsluitend op incourante tijdstippen (na middernacht) uitgezonden, zodat niemand zich schuldig hoefde te voelen dat hij niet keek.

Lezen was, nog niet zo lang geleden, iets dat mensen uit alle lagen van de bevolking voor hun plezier deden. Daar zijn andere pleziertjes voor in de plaats gekomen, die ik vast niet hoef op te sommen. Lezen is daardoor net zoiets geworden als 3 ons groente per dag eten, je afval scheiden en je tanden flossen: je kunt altijd nog jókken dat je het doet. (Of het pocherig op een T-shirt laten drukken. Ik zie heel wat jongelui met teksten als ‘Shut up, I’m reading’ of ‘Book Nerd’ op hun afgetrainde rompjes veerkrachtig door de stad stappen, vást allemaal op weg naar de bibliotheek.)

À propos bibliotheek: het basislidmaatschap van de Openbare Bibliotheek Amsterdam kost 39,50 euro per jaar. Weet u hoeveel boeken je daarvoor mag lenen? Twintig stuks. Twintig lullige boeken per jaar! Zo sméék je toch om een volk van analfabeten?

Gelukkig hebben we DBNL.org nog, de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. Daar bevindt zich een glinsterende schat aan oude Nederlandse boeken, alles geheel gratis te lezen. Een luilekkerland, waar ik vrijwel dagelijks kwijlend ronddwaal, gretig bijtend in alles waar ik trek in heb.

Herman Heijermans bijvoorbeeld. Hij is bijna honderd jaar dood en was al zowat vergeten toen ik geboren werd. Maar wie zijn ‘schetsen’ leest, krijgt een haarscherp beeld van het ‘gewone’ volk rond 1900, het erbarmelijke, afgestompte leven van het sappelende proletariaat in bedompte binnenkamertjes, met zijn ziektes, ontberingen en overvloed aan kwakkelende kinderen.

Heijermans, zelf Jood, beschreef de gang van zaken in de Amsterdamse Jodenbuurt met filmische precisie. Zoals een hete zomerdag op de markt in de Jodenbreestraat: ‘In de broeierige atmosfeer van dien Augustus-namiddag geleken de gezichten ouwelijker, meer vuil-beenig, meer van willoze weekheid. Grijze bakkebaarden krulden naar magere kinnen of het vel was vuil van rood-gorige stoppels. Het zuur in de potten, de gekookte lever, de klevende hoop dadels lichtbruinig op krantenpapier, de peren met zwartelijke rotstippels, de grijs-slijkrige mierikswortels vergroezlend met de heete, stof-zware straatwalmen…’

‘Boven het schor, diepkelig geschreeuw der Joden klinkte helgeel het vinnige gelui van de trambel. Nijdig rinkinkte de koetsier, paarsbol onder de uniformpet. Pruimsap spoot uit zijn mond, scheerend langs de billen van het paard, wiggend in zwart-natte spiraaltjes op den stoffigen grond. Zijn ruwe minachting voor het lawaaiende, mager-hoekige jodenvolk spette daarin neer.’

Je rúikt die rotte peren, dat stof, die pruimtabak, dat paard, je hóórt het marktlawaai, je voelt de hitte en je próéft die plakkerige dadels. 125 jaar na dato. Je denkt huiverend aan de gruwelijke gevolgen van die indertijd doodgewone ‘minachting voor het lawaaiende, mager-hoekige jodenvolk’ waar Heijermans nog geen weet van had.
Kunst… omdat het moet!

Source: Volkskrant

Previous

Next