Wat zijn dit voor vragen? Zes dilemma’s voor universitair docent Milio van de Kamp, die in zijn boek Misschien moet je iets lager mikken vertelt hoe het is om in Nederland in armoede op te groeien.
‘ROC, zonder twijfel. Dat is de plek waar ik mij thuis voel. Ik heb eerst vmbo-kader afgerond, daarna twee mbo-opleidingen, en toen een jaartje Sociaal Pedagogische Hulpverlening op het hbo. Vervolgens ben ik naar de Universiteit van Amsterdam gegaan. De ROC’s die ik bezocht, zaten in de wijken waar ik ben opgegroeid, met leerlingen uit dezelfde sociale economische klasse als ik. We kenden elkaars leefwereld. Ook nu nog, als ik een gastles geef op een mbo, voel ik die vertrouwdheid.
‘Op de UvA heb ik dat eigenlijk niet. De universiteit heeft mij inhoudelijk geboden wat ik wilde, door de sociologie heb ik de structuren achter maatschappelijke ongelijkheid leren kennen, maar als instituut zal het nooit de plek zijn waar ik mij op mijn plek zal voelen. In het begin schreef ik dat nog toe aan mijzelf, ik voelde me minder intelligent, minderwaardig. Maar nu is er gewenning opgetreden, ik heb mijn outsiderpositie leren omarmen. Ik vind het belangrijk dat er binnen de UvA mensen zijn zoals ik, wij kunnen dingen op een andere manier zien, en dat is nuttig voor de wetenschap.’
‘Mijn moeder. Want die is er altijd voor mij geweest. Ondanks alle tegenslagen in haar leven heeft zij haar best gedaan om ons een goed leven te geven.
‘We groeiden op in armoede. Een tijd lang hadden we geen gas en licht, geen vloerbedekking. Mijn vader was vooral afwezig. Hij zat half in het criminele milieu. Een paar vrienden van hem die bij ons over de vloer kwamen, zijn later vermoord. Hij was gewelddadig. Het heeft heel lang geduurd voordat ik begreep wat maatschappelijk als een normale gezinssituatie wordt gezien, en hoe mijn wereld daarvan verschilde.
‘Mijn ouders zijn allebei in Amsterdam geboren en opgegroeid in een volksbuurt vol armoede. Niemand maakte er zijn opleiding af. Mijn vader verloor jong zijn vader, hij had dus geen idee hoe je vader moet zijn.
‘Mijn moeder had juist een tegenovergestelde reactie. Die heeft zichzelf heel erg weggecijferd voor mijn broertje en mij. Ze was de meest stabiele factor. Natuurlijk had zij ook haar eigen dingen. Ze had een hartprobleem, en pendelde lang tussen de bijstand en schoonmaakbanen. Maar uiteindelijk kon ze in een café werken, en dat later overnemen.
‘Natuurlijk vond ik het moeilijk om in het boek dit beeld te schetsen van mijn ouders. In het begin was ik vooral aan het nuanceren. Door de sociologie begreep ik welke systemen van uitsluiting en onderdrukking ervoor hadden gezorgd dat wij in zo’n marginale positie zaten. Maar door schaamte durfde ik niet het volle licht op mijn verhaal te laten schijnen. Totdat een redacteur van de uitgeverij tegen mij zei: ‘Milio, jij hebt ook recht op je verhaal.’
‘Uiteindelijk is mijn moeder trots op het boek. Van vriendinnen die het lazen kreeg ze te horen dat zij er goed uit komt. Mijn vader is een ander verhaal. Die las de achterflap en zei: je liegt. Hij probeerde mijn beeld van de realiteit te ondermijnen. We kregen toen flinke ruzie. Ik heb hem sindsdien niet meer gesproken.’
‘Alle liefde voor Winne, hij heeft mij met zijn teksten echt door lastige periodes in mijn leven getrokken, maar ik kies uiteindelijk toch voor Bourdieu.
‘Bourdieu was een Franse filosoof en socioloog uit een arm gezin die eindigde als een van de belangrijkste denkers over ongelijkheid van deze eeuw. Zijn theorie in het kort: los van de ongelijke verdeling van financieel kapitaal wordt ongelijkheid ook in stand gehouden door verschillen in cultureel kapitaal. Kennis van de impliciete sociale regels in hogere kringen, de juiste smaak hebben. Dit cultureel kapitaal zorgt er bijvoorbeeld voor dat kinderen uit een middenklasse-milieu makkelijker hun weg vinden in het hoger onderwijs, en mensen zoals ik juist worstelen.
‘Toen ik aan de universiteit begon had ik veel aanpassingsproblemen. Ik snapte andere studenten niet. Mijn accent was anders, ik had de boeken niet gelezen die zij hadden gelezen, ze luisterden naar andere muziek. Een keer werd ik uitgenodigd voor een diner bij een medestudent thuis. Iedereen was hartstikke vriendelijk, maar ik wist totaal niet welke gesprekken ik moest voeren.
‘Telkens werd ik er op een impliciete manier op gewezen dat ik uit een andere wereld kom, dat er een soort norm is waaraan ik niet kon voldoen. Door Bourdieu leerde ik dat inzien en dat dit de manier is waarop de middenklasse afstand creëert tot andere groepen.’
‘Oei, dat vind ik een lastige. Dan ga ik voor het schrijverschap. Tot ik aan dit boek begon, leek het schrijverschap niet voor mij weggelegd. Ik ben niet met boeken opgegroeid, las nooit literatuur. Maar in de afgelopen jaren heb ik dat kunnen inhalen. Ik leerde schrijvers kennen als Maya Angelou, James Baldwin en Edouard Louis, die ook in armoede opgroeiden. Bij hen dacht ik: wow, met schrijven kun je echt levens veranderen. Dat wil ik ook. Ik wil de lezer kennis laten maken met een wereld die ze niet kennen.
‘Maar docentschap blijft altijd mijn grote passie. Toen ik afstudeerde, werd ik gevraagd om te solliciteren op een baan aan de UvA. Ik wist niet eens dat dat mogelijk was. Vorig jaar ben ik verkozen tot docent van het jaar van onze faculteit. Wat de studenten denk ik waarderen is dat ik in staat ben om abstracte theorie te vertalen naar begrijpelijke taal.
‘Daarnaast probeer ik altijd het zelfvertrouwen van studenten te vergroten. Aan het begin van het jaar zeg ik tegen ze: het maakt niet uit hoe je hier binnen bent gekomen, of dat nou via het vmbo is of via het gymnasium, uiteindelijk heb je bewezen dat je het niveau hebt om het hier te redden.’
‘Hierin kan ik echt geen keuze maken. Ze betekenen allebei meer dan alles voor mij.
‘Mijn vriendin en ik zijn nu 13 jaar samen. We hebben een beetje hetzelfde pad bewandeld. Zij is via de havo en het hbo op de universiteit terechtgekomen en studeerde er pedagogiek. Tegenwoordig is ze is docent op een basisschool in Amsterdam Zuid-Oost, waar we ook wonen.
‘In haar familie ging het financieel ook niet altijd even makkelijk. Maar ze had een stabielere thuissituatie. Toen ik door mijn vader uit huis werd getrapt, kon ik bij haar terecht en weer opkrabbelen. Als ik dat niet had gehad, had ik het denk niet gered.
‘Naast de liefde van mijn leven is ze ook mijn beste vriendin. Zij heeft mij altijd gezien voor wie ik was. Zij heeft nachtenlang met mij zitten ploeteren op toetsen voor school, zij heeft miljoenen gesprekken met mij gevoerd toen ik in een chronische depressie zat van mijn jeugd. (stilte) Ik ben denk ik nog niet een goed genoeg schrijver om te beschrijven wat zij voor mij betekent.
‘Het fijne is ook dat zij mijn obsessie met ongelijkheid deelt. Dat is ons hoofddoel in het leven: ongelijkheid bestrijden. Zij probeert dat op haar manier op een basisschool in Zuid-Oost, en ik als docent sociologie aan de universiteit.
‘Sowieso een hoodie. Sowieso.
‘Ik draag nu een T-shirt van het merk Patta, een joggingbroek en sneakers. Dit is ook de outfit waarin ik voor de klas sta. Het verst dat ik met nette kleding ben gekomen is het dragen van een overhemd. Maar op een gegeven moment heb ik mij voorgenomen om gewoon dingen te dragen die passen bij hoe ik me voel.
‘Ik vind het ook belangrijk om in deze outfit op de universiteit te verschijnen. Ik wil de norm doorbreken. Ik wil laten zien: je hoeft niet een driedelig pak aan te hebben om recht van spreken te hebben. Ook mensen die een Patta-shirt aanhebben zijn in staat om intelligente dingen te zeggen.
‘Natuurlijk loop ik weleens langs een pakkenwinkel en denk ik: dat zou er weleens strak uit kunnen zien. Maar voor mij zit er achter zulke kleding een bepaalde norm: dat je serieuzer wordt genomen als je een polo-shirt aan hebt. Ik heb daar moeite mee.
‘Gevolg is dat ik op de universiteit vaak nog voor een student wordt aangezien. Dat vind ik niet erg. In het kader van de grotere strijd die ik tegen kansenongelijkheid voer, is dat een prijs die ik wil betalen.’
Milio van de Kamp
Geboren: 21-12-1991 in Amsterdam
1995 - 2003: Elisabeth Paulusschool
2003-2004: Calandlyceum
2004-2007: OCA (Ondernemerscollege Amsterdam)
2007-2008: ROC van Amsterdam, Sport en Bewegen
2009-2010: ROC van Amsterdam, Verkoopspecialist
2010-2012: ROC van Amsterdam, Filiaalmanagement
2013-2014: Hogeschool van Amsterdam, Sociaal Pedagogische Hulpverlening
2015-2018: Universiteit van Amsterdam, bachelor Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen
2019-2020: Universiteit van Amsterdam, master Sociologie
2020: docent Interdisciplinaire Sociale Wetenschap aan de UvA
2022: Docent van het jaar op de Faculteit Maatschappij & Gedrag
2023: publicatie boek Misschien moet je iets lager mikken
Source: Volkskrant