Mijn zoon was gezakt voor zijn theorie-examen motorfiets rijden. Zelf was ik daar wel blij om, want de combinatie zoon + motorfiets bezorgt elke moeder nachtmerries. Mijn zoon, daarentegen, was ontroostbaar en wilde het complete CBR met een bijl om zeep helpen. (Dat zei hij niet hardop, maar ik zag het in zijn ogen).
Diezelfde dag voltrok zich de 84ste verjaardag van mijn vader, een – in elk geval voor hém –heuglijk feit dat we die avond bij mij thuis ‘op gepaste wijze’ vierden. Hij bleef logeren, want hij woont in Hank (bij Dussen) en je kunt niet met een buik vol drank naar Hank (bij Dussen) rijden, helemaal vanuit Amsterdam.
De volgende dag bleek zijn auto, bij ons voor de deur, verdwenen. Voor wegslepen was geen aanleiding: geen twijfel mogelijk, de auto was gestolen. Nu verlangde ík naar een bijl. Wie steelt er een stokoud autootje met een invalidenkaart op de voorruit? Nou ja, het hielp ook niet dat mijn vader zijn auto nooit op slot doet, en de sleutel gemakshalve in het handschoenenkastje bewaart. Dat kan misschien in Hank (bij Dussen), maar niet in Amsterdam.
‘Wat ben je toch een verschrikkelijke eikel’, tierde ik tegen mijn vader, waarna hij zich herinnerde dat de sleutel van zijn huis óók in dat handschoenenkastje lag. De sleutel van zijn huis in Hank (bij Dussen). Was er ergens een reservesleutel? Nee.
Tandenknarsend belde ik de politie. Die wilden allerlei absurde details weten, zoals het kenteken van de auto (dat wist mijn vader niet. Hij wist alleen de kleur, min of meer.) Na een paar honderd telefoontjes met diverse (ex-)vrouwen die mijn vaders ordeloze leven helpen bestieren was de aangifte eindelijk rond.
Nu moest hij nog naar huis. ‘Rijd jij opa naar Hank (bij Dussen)? vroeg ik aan mijn nog steeds kniezende zoon. Ik zag die bijl alweer in zijn ogen blikkeren, maar omdat ik zijn lieve moedertje ben (en omdat ik hem een ongehoorde som gelds in het vooruitzicht stelde, dat ook, ja, dat ook) zwichtte hij. Ze moesten dan ter plekke, in Hank (bij Dussen) maar een slotenmaker opscharrelen.
Die middag kwam mijn zoon thuis, met een grijns van oor tot oor. ‘Ik heb ingebroken in opa’s huis!’, riep hij trots. ‘Alles zat potdicht. Maar er lag een klerenhanger in de tuin, en daarmee heb ik...’ Er volgde een lang, heroïsch verhaal. Het mislukte motorexamen was vergeten.
‘Hij wil nu inbreker worden’, zei ik even later tegen mijn vader, aan de telefoon. ‘Heel goed!’, zei mijn vader. Want hij heeft niets tegen misdadigers, zolang ze maar van zijn auto afblijven.
Source: Volkskrant