N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Spinoza en Stevin Vier Nederlandse wetenschappers krijgen dit jaar een Spinoza- of Stevinpremie. Wat gaan ze met het geld doen?
Het is even wennen: deze woensdag reikt onderzoeksfinancier NWO voor het eerst slechts twee Spinozapremies van 1,5 miljoen euro uit. Tot nu toe ging de belangrijkste Nederlandse wetenschapsprijs jaarlijks naar vier „onderzoekers die naar internationale maatstaven behoren tot de allerbeste wetenschappers wereldwijd”, maar NWO heeft besloten dit aantal te halveren, zodat er nu evenveel Spinoza- als Stevinpremies worden uitgereikt. Die laatste prijs, ook 1,5 miljoen euro, gaat ieder jaar naar twee onderzoekers die „een bijzonder succes heeft behaald op het gebied van kennisbenutting voor de samenleving”.
Deze ingreep past bij het streven van NWO om zowel wetenschappelijke doorbraken als maatschappelijke impact evenredig te willen stimuleren, laat een woordvoerder weten. De middelen die door deze wijziging vrijkomen, gaat NWO inzetten voor haar Talentprogramma (Veni, Vidi, Vici), waardoor een eerder opgelegde korting opgevangen kan worden. „We vinden het belangrijk om jong talent te kunnen blijven stimuleren”, aldus de woordvoerder.
Foto Studio Oostrum
Joyeeta Gupta (1964)is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Zij onderzoekt verdelingsvraagstukken die voortkomen uit klimaatverandering. Centraal in haar onderzoek staat het doorgronden van de samenhang tussen de klimaatcrisis, mogelijke oplossingen en rechtvaardigheid. Zij brengt daarvoor diverse wetenschappelijke disciplines samen, van internationaal recht en economie tot politieke wetenschappen en milieustudies.
Wat gaat u doen met het geld?
„Mijn stip op de horizon is een mondiale grondwet. Daarin staat in ieder geval wat de rechten en plichten zijn van landen ten aanzien van klimaat, water, biodiversiteit en grondstoffen. Nu is er veel onrechtvaardigheid. De rijken hebben een dominant aandeel in de klimaatopwarming, maar de impact treft vooral arme mensen.
„Er zijn veel interessante kwesties. Ontwikkelingslanden willen hun fossiele brandstoffen ontginnen, om economisch te groeien. Gaan wij als Westen zeggen dat ze dat niet mogen? Trouwens, binnen die landen zijn er ook groepen die schone lucht eisen, en voldoende natuur. In m’n onderzoek wil ik nóg explicieter gaan kijken naar: wat is rechtvaardig, en wat is onacceptabel?”
Wanneer kwam u erachter dat u goed was in uw werk?
„In 1998 werd ik uitgenodigd door het IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, om mee te werken aan een volgend rapport. Dan weet je dat je als wetenschapper gewaardeerd wordt. Daarna heb ik in allerlei mondiale commissies gezeten die zich bezighouden met de toestand van het milieu en de impact op menselijk welzijn. Toen ik in 2016 werd gevraagd als co-voorzitter voor het nieuwste rapport van de Global Environment Outlook, wist ik dat ik het mondiale niveau had bereikt. Dat rapport brengt trends in milieu en de duurzame ontwikkelingsdoelen in kaart. In 2019 ben ik nog gevraagd om co-voorzitter te worden van de Earth Commission, die een veilige en rechtvaardige route uitstippelt voor de mens om op de aarde te leven.”
Waar heeft u binnen uw werk de meeste hekel aan?
„Ik werk in een veld waar je heel veel kritiek krijgt. Natuurwetenschappers zeggen vaak dat we te normatief zijn. Sociale wetenschappers vinden dat we te mondiaal zijn. Bij het IPCC werkte ik aan het hoofdstuk over internationale samenwerking, en daar hebben we veel gevochten over wat we wel en niet mochten behandelen. Mag je zeggen hoeveel klimaatrechtszaken er lopen, of wat de relatie is tussen genderemancipatie en klimaatverandering?”
„En iets luchtiger: aan het eind van de dag klap ik m’n laptop dicht en wil ik even niet aan klimaat denken, maar als ik dan ’s avonds de tv aanzet gaat het wéér over klimaat.”
Foto Studio Oostrum
Toby Kiers (1976) is hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam en doet onderzoek naar de nutriëntenhandel tussen planten en ondergrondse schimmels. Kiers zet zich in voor het behoud van ondergrondse biodiversiteit. Haar onderzoek biedt mogelijkheden voor natuurbehoud en regeneratieve landbouw.
Wat gaat u doen met het geld?
„Ik wil onze mogelijkheden vergroten om het onzichtbare zichtbaar te maken. De ondergrond is een van de laatste werkelijke grenzen van het onbekende. We hebben veel spannende hypotheses die we willen testen, over hoe schimmels de bewegingen van koolstof en andere nutriënten in hun netwerk beheersen. Met het prijzengeld kunnen we samen met een transdisciplinair team van biofysici, ecologen, ingenieurs en evolutiebiologen die processen nog beter in kaart brengen. Bijvoorbeeld met behulp van de nieuwe robot die ik aan het ontwikkelen ben met Thomas Shimizu en Loreto Oyarte Galvez van het onderzoeksinstituut Amolf. Daarmee kunnen we in hoge resolutie de nutriëntenstromen in complexe schimmelnetwerken filmen.”
Wanneer kwam u erachter dat u goed was in uw werk?
„Mijn superkracht is om nieuwe gedachten te ontwikkelen over de schijnbaar alledaagse dingen om ons heen. Ik heb die vaardigheid geleerd tijdens mijn promotietraject, toen mijn supervisor me leerde dat wetenschap op z’n spannendst is als je ideeën en gereedschappen uit andere disciplines kunt lenen en daarmee oude problemen van nieuwe perspectieven kunt voorzien. Dat je daar creativiteit en speelsheid bij mag gebruiken spreekt me enorm aan. Mijn begeleider was een geweldige mentor, omdat hij me altijd grote ideeën liet onderzoeken, zelfs toen ik nog een jonge wetenschapper was.”
Waar heeft u binnen uw werk de meeste hekel aan?
„Het beantwoorden van e-mails. Ik zou veel liever op een expeditie zijn om schimmels te monsteren dan tijd te besteden aan mijn mailbox. Het leukste aan mijn werk is de samenwerking met mijn groep – ze zijn de meest gemotiveerde, slimme en creatieve wetenschappers die ik ooit heb ontmoet. Iedereen brengt z’n eigen perspectieven en gekke ideeën in, en we zeggen nooit nee tegen het testen van zo’n gek idee…”
Foto Studio Oostrum
Corien Prins (1961) is hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg en sinds 2017 voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Prins doet onderzoek naar de juridische implicaties van nieuwe technologie, op het snijvlak van wetenschap en beleid.
Wat gaat u met het geld doen?
„Het is veel geld, de toekenning kwam voor mij echt als een verrassing, dus ik kan er nu hooguit heel algemeen iets over zeggen. Ik denk nu aan het verbeteren van de interactie tussen jonge onderzoekers en de Haagse beleidswereld. Dat gaat om competenties, de beleidswereld leren begrijpen en een andere taal leren spreken. Maar ook weerbaarheid tegenover politieke druk, om te voorkomen dat je bij kennisoverdracht meegezogen wordt in de politieke dynamiek. Het Outbreak Management Team is een mooie illustratie van de kwetsbare positie waarin wetenschappers terecht kunnen komen. Daar kunnen we effectiever in zijn. Terwijl het voor de beleidswereld goed is te leren dat wetenschap niet altijd alleen maar ‘de feiten’ presenteert maar vaak ook normatief is – wat nog niet hetzelfde is als ‘politiek’.”
Wanneer kwam u erachter dat u goed was in uw vak?
„Ik ben begonnen met Slavische talen, puur omdat ik gegrepen was door het werk van Karel van het Reve. Prachtig, over de Russische literatuur. Ik was achttien en ja, dan denk je ook niet na over wat je ermee kunt doen. Later ben ik daarom een keuzevak rechten gaan doen en dat vond ik vanaf dag één fantastisch. Ik kon er mijn creativiteit in kwijt. Waarom is dit zo geregeld? Wat willen we hiermee als samenleving? Weer het normatieve aspect dus, dat heeft mijn interesse.”
Waar heeft u binnen uw werk de meeste hekel aan?
„Daar moet ik even over nadenken. Wat ik in elk geval minder vind, is dat we in de wetenschap onvoldoende aandacht hebben voor ‘typisch Nederlandse’ onderwerpen. We zijn erg bezig met internationalisering en dan bedoel ik niet de studenten maar het onderzoek. Stel dat ik een puur Nederlands profiel had gehad en niet internationaal gepubliceerd had, waar zou ik nu dan zijn geweest? Terwijl er volop Nederlandse kwesties spelen die voor de wetenschap relevant zijn, neem de discussie over het stikstofbeleid. Dat perspectief is belangrijk, de WRR adviseert per slot van rekening de Nederlandse regering over Nederlands beleid. We lopen ook in de financiering en waardering te veel achter de internationalisering aan en onderkennen te weinig dat er Nederlandse uitdagingen zijn waar de wetenschap een bijdrage aan kan en moet leveren.”
Foto Studio Oostrum
Bram Nauta (1964) is hoogleraar aan de Universiteit Twente en expert in het ontwerpen van schakelingen op chips. Zijn innovaties hebben directe impact gehad op veelgebruikte elektronica. Smartphones werden compacter en micro-elektronica werd energiezuiniger dankzij innovaties zoals de ‘Nauta-schakeling’. Zijn werk lag tevens aan de basis van technieken zoals 5G, wifi en bluetooth.
Wat gaat u doen met het geld?
„Ik ga wilde dingen proberen. Normaal gesproken moet overal een plan voor geschreven wo Source: NRC