Home

Het Nationaal Slavernijmuseum komt er, maar welk verhaal wordt daar straks verteld?

Vraag mensen om mee te praten over het nieuw te bouwen Nationaal Slavernijmuseum en er verschijnt een waaier aan wensen. ‘De bezoeker mag zich ongemakkelijk voelen in een museum dat onverbloemd de gruwelijkheden toont’, zegt een van de aanwezigen in een zaaltje aan het Vredenburg in hartje Utrecht. ‘Witte mensen moeten zich welkom voelen en het ervaren als hun eigen geschiedenis’, zegt een ander.

‘Je mag er een praatje aanknopen met andere bezoekers.’
‘De slavernij in Indonesië komt ook aan bod.’
‘En vergeet de geschiedenis van de Zuid-Afrikaanse apartheid niet.’

Op de uitnodiging om mee te denken over het nieuwe museum over deze beladen episode in de Nederlandse geschiedenis zijn zo’n tachtig belangstellenden afgekomen: activisten en mensen die zijn betrokken bij musea, maar ook leken, jong en oud, zwart en wit en alles daartussenin. Ze worden onthaald met twee grote manden met opgerolde roti met een gekruide, vegetarische vulling.

Waarvoor zou jij naar het Nationaal Slavernijmuseum komen, wordt de aanwezigen gevraagd. Wat wil je er leren? Wat moeten we over jou vertellen? Welke gemeenschappen moeten zich er thuis voelen?

‘Ik hoop dat het museum mensen helpt hun eigen geschiedenis te achterhalen’, zegt een 24-jarige Surinaams-Nederlandse vrouw. Zelf is ze jaren beziggeweest om uit te zoeken waar haar achternaam vandaan komt. ‘Veel Nederlanders met een Surinaamse achtergrond willen dat, maar weten vaak niet hoe dat moet.’

Soortgelijke avonden zijn ook georganiseerd in Amsterdam, Groningen en Rotterdam, er komen er nog meer, in onder andere Den Haag, Zwolle, Assen en Middelburg. ‘Wij gaan het land door om te luisteren naar de wensen en ideeën’, zegt theatermaker en voormalig Tweede Kamerlid John Leerdam. Hij vertelt dat het museum behalve vaste en tijdelijke tentoonstellingen en een kenniscentrum, ook een cultureel programma krijgt, met ruimte voor bijvoorbeeld debat, dans, theater, ‘healing’ en eten. ‘Tevens leggen we een link met het racisme van vandaag.’

Leerdam is sinds september een van de drie zogenoemde kwartiermakers van het Nationaal Slavernijmuseum; hij is verantwoordelijk voor de maatschappelijke kant. Peggy Brandon, die jarenlange ervaring heeft met het vormgeven van musea, is kwartiermaker voor de museale aspecten. David Brandwagt, ambtenaar van de gemeente Amsterdam, doet de praktische vraagstukken: het gebouw dus, dat ‘iconisch’ moet zijn, bij voorkeur aan het water ligt en omgeven is door een park. Het moet verrijzen op een nog te bepalen locatie in Amsterdam.

Waar komt het slavernijmuseum?
Zeven locaties in de hoofdstad zijn in de race voor het Nationaal Slavernijmuseum: het Amstelpark, het Nelson Mandelapark, het Kenniskwartier, Java-eiland, het Marineterrein, de Oranjesluizen en de Sixhaven. Eind dit jaar adviseren de kwartiermakers het Amsterdamse de gemeenteraad over de locatiekeuze. Die neemt het besluit.

De kwartiermakers hebben al met honderden mensen over de invulling van het nieuwe museum gesproken – ook in Suriname en op de zes eilanden van de voormalige Nederlandse Antillen. Van de geschatte kosten is zo’n 60 miljoen euro gedekt, met gelijke bijdragen van de gemeente Amsterdam en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Naar schatting zijn enige tientallen miljoenen euro’s extra nodig.

Nu op 1 juli het grote herdenkingsjaar begint, 150 jaar na de feitelijke afschaffing van de Nederlandse slavernij, staat ook het slavernijmuseum extra in de schijnwerpers. In de historische toespraak van premier Mark Rutte op 19 december vorig jaar, waarin hij excuses namens de Nederlandse staat aanbood voor het slavernijverleden, zei hij nadrukkelijk dat hiermee geen punt werd gezet, maar een komma. De overheid wil werk maken van het ‘helingsproces’, in samenspraak met de nazaten van de tot slaafgemaakten.

Het slavernijmuseum moet bijdragen aan erkenning van dit verleden en aan meer kennis daarover. ‘Maar wij zijn geen onderdeel van die door Rutte genoemde komma’, beklemtoont Leerdam. Allereerst omdat de voorgeschiedenis van het museum decennia teruggaat; die wens was er al lang voordat er sprake was van een toespraak door Rutte.

Al in de jaren vijftig vroegen de eerste zwarte activisten in Nederland om een dergelijk instituut dat de pijnlijke geschiedenis van hun voorouders moest tonen, gezien door hún ogen. De andere bril is ook het uitgangspunt van het slavernijmuseum. Tot nog toe is bijna alle slavernijgeschiedenis verteld vanuit de witte machthebbers – alleen al omdat de meeste bronnen uit de periode, zoals logboeken en schilderijen, hun perspectief laten zien.

In de jaren negentig klonk de roep om een slavernijmuseum luider. Maar toen was, zegt Leerdam, ‘de politiek er nog niet rijp voor’. Ook daarna was er jarenlang weinig beweging. De bal ging pas echt rollen toen de Amsterdamse gemeenteraad zijn nek uitstak, en in 2017 besloot om de haalbaarheid van zo’n museum te laten onderzoeken.

Hoewel er nog grote hobbels zijn – het vinden van de extra miljoenen euro’s, de locatiekeuze – is er een duidelijk tijdschema. Na de inspraakronde komt er eind dit jaar een architectenprijsvraag. De ontwerpfase en de bouw van het museum kosten elk zo’n twee tot drie jaar. Dan kan, als alles meezit, in 2029 de opening plaatsvinden. Van een museum, zegt Brandwagt, ‘waarin heel Nederland zich kan vinden’. Brandon vult aan: ‘De bedoeling is dat elk kind in Nederland dit museum gaat zien, net als De Nachtwacht.’

Het spectaculair vormgegeven nationale museum van Afrikaans-Amerikaanse Geschiedenis en Cultuur in Washington is hun grote voorbeeld. Behalve voor slavernij is daar ook aandacht voor kunst van zwarte makers en zwart heldendom, van dominee Martin Luther King tot de rappers van Public Enemy.

Op de avond in Utrecht wordt ook duidelijk: het samenbrengen van de sterk uiteenlopende wensen en verlangens over het museum wordt een lastige opgave. Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp is het rustig een mijnenveld te noemen. Want hoe maak je een museum waarin de zwarte gemeenschap zich erkend voelt en de witte Nederlander zich welkom voelt?

Maar ook: hoe publiek te bereiken dat niet zo gemakkelijk naar een museum gaat? Wat te tonen als de meeste overgeleverde getuigenissen van de witte machthebbers zijn? Hoe bezoekers met verschillende kennisniveaus en interesses aan te spreken?

De aanwezigen in Utrecht vinden het belangrijk dat het museum geen louter Amsterdamse aangelegenheid wordt. Ook buiten de hoofdstad moeten er activiteiten zijn, bijvoorbeeld reizende exposities, en ook online moet de informatie te raadplegen zijn.

‘Het moet laagdrempelig zijn, Afrikanen in Nederland komen bijvoorbeeld niet zo maar in een normaal museum’, zegt Babah Tarawally, een schrijver met wortels in Sierra Leone. ‘Het zou al helpen als het gratis is.’ ‘Hoe bereik ik de mensen om jou heen?’, wil Brandon van hem weten. ‘Geef ze het gevoel’, zegt Tarawally, ‘dat ze iets mogen doen, kunnen eten, dansen, iets mogen maken.’

Ook andere aanwezigen pleiten voor een onconventioneel museum, ‘waar je niet hoeft te fluisteren’ of ‘waar je in sommige ruimtes de geuren van daar kunt ruiken’. Dus, zegt een jonge vrouw: ‘Plaats geen oude, witte mannen in de raad van toezicht.’

Wat Brandon betreft, komt er veel aandacht voor mondeling overgeleverde geschiedenis. ‘Bezoekers kunnen ons hun verhalen vertellen, die ze misschien wel van generatie op generatie overgedragen hebben gekregen.’

Wel of geen ongemak

Er drijven dus ook meteen punten boven waarover de meningen botsen. Het museum moet het ongemak over het onderwerp niet uit de weg gaan, beklemtonen enkele aanwezigen. Bijvoorbeeld door expliciet de martelingen te tonen waarmee de Nederlandse machthebbers destijds de slavenopstandleider Tula op Curaçao om het leven brachten.

‘Maar waarom zou ik naar zo’n museum gaan?’, vraagt een van de aanwezigen zich hardop af. ‘Witte mensen moeten voelen dat het ook hun geschiedenis is.’ Ter illustratie heeft ze een flesje water meegenomen van haar geboortegrond Texel. ‘Voor dat extra ijzerhoudende water meerden de schepen in de koloniale tijd aan, voor hun grote reis over de oceaan’, zegt ze. ‘Ik vind het een heftig idee dat mijn voorouders die schepen hebben zien vertrekken.’

Maar juist het tot nu toe gangbare geschiedverhaal vanuit de ‘witte’ beleving moet dit museum doorbreken, stelt het rapport Met de kracht van de voorouders uit 2021. Deze ‘Verkenning museale voorziening slavernijverleden’ van onder meer het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (Ninsee) werd gedaan in opdracht van de gemeente Amsterdam.

Bij Afro-Nederlanders moet het museum het gevoel oproepen: dit gaat over mij, schrijven de onderzoekers. Maar het museum moet volgens hen ook een uitje worden voor witte Nederlanders en een vaste bestemming voor schoolexcursies. Zodat volgende generaties meer kennis krijgen van dit verleden waarvan de gevolgen doorwerken tot op de dag van vandaag. De toon moet dus zeker niet beschuldigend zijn, aldus de verkenning.

De West én de Oost?

Er is nog een ander, wellicht nog heter hangijzer: hoe breed moet de slavernijgeschiedenis worden behandeld? De conclusie van bovengenoemde verkenning is helder: de focus moet liggen op Suriname, de Nederlandse Cariben en Nederland. En op West- en Centraal Afrika, waar Nederlanders vanaf de 17de eeuw honderdduizenden tot slaafgemaakten inscheepten en over de Atlantische Oceaan naar de toenmalige koloniën verv Source: Volkskrant

Previous

Next