In de recreatiezaal zit een groep hoogbejaarde bewoners naar een lezing te luisteren. Tussen de witte hoofden zie ik mevrouw Steur (89) meteen zitten. Haar smalle schouders boven de rugleuning van de rolstoel, haar dunne nekje en de bos witte haren, op haar achterhoofd platgedrukt door het middagdutje. Op een groot scherm wordt een foto geprojecteerd van de Grand Canyon. De lezing gaat over het zuidwesten van de Verenigde Staten.
Na afloop komt ze de zaal uit – ze beweegt zich in de rolstoel voort met schuifelende pasjes en korte halen aan de wielen – en concludeert: ‘Nou, daar hoef ik dus niet naartoe.’
‘O?’
‘Dorre boel, hoor. Woestijn, cactussen. Heet’, zegt ze, en dan kijkt ze naar mij omhoog. ‘Wat kom jij hier eigenlijk doen?’
‘Ik kwam even kijken of u nog leeft.’
Vanmorgen nam ik afscheid van meneer Van der Horst (92). Hij lag in bed, stervende. Zijn zoon zat ernaast.
Over de auteur
Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. Hij schrijft om de week een wisselcolumn met Erdal Balci. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.
Meneer Van der Horst kwam een paar weken geleden bij ons op de afdeling wonen. Brullend in zijn rolstoel werd hij naar binnen gereden. Mijn collega’s en ik keken elkaar huiverig aan. Mensen met dementie krijgen in de loop van hun ziekte vaak gedragsproblemen en roepgedrag geldt als een van de moeilijkste, omdat je er horendol van wordt. Maar toen we bij hem neerhurkten om hem beter te bekijken, keek hij opgewekt en nieuwsgierig terug, en stopte ook meteen met roepen.
Het werkte om hem zoveel mogelijk te betrekken bij onze werkzaamheden, waar hij met een guitig lachje en glinsterende ogen commentaar op gaf. ‘Wat lopen jullie nu weer te lapzwansen? Wat ís dit voor zorgorganisatie?’
Maar lang hebben we niet van hem kunnen genieten: hij was bij binnenkomst al bijna op. Waarom gaan mensen dood als ze op hun leukst zijn? En toen moest ik denken aan mevrouw Steur.
‘Nou, je ziet het’, zegt ze, en ze spreidt triomfantelijk haar armen. ‘Ik leef nog.’
We gaan in de tuin achter het verpleeghuis zitten. ‘Kun jij voor me uitzoeken wat voor boom dat is?’, vraagt ze. ‘Ik vergeet het steeds aan de tuinman te vragen. Ja, niet dat ik dement word, hoor. Als ik aanleg had om dement te worden, was ik dat nu allang geweest. Ik ben inmiddels gelukkig te oud om nog dement te worden.’
Ik richt mijn telefoon op de boom. ‘Het is een haagbeuk.’
‘Zie jij dat op je telefoon? Is dat een app? Kun je die ook op mijn telefoon installeren?’
Mevrouw Steur heeft een haat-liefdeverhouding met technologie. Ik werk niet meer op de afdeling waar ze woont, ik kom alleen af en toe kijken of ze nog leeft, maar toen ik haar nog verzorgde, moest ik ook vaak haar technische problemen oplossen. Vastgelopen tablet, geblokkeerde telefoon en de kuren van haar laptop. Die apparaten kunnen haar tot wanhoop drijven, maar ze is er ook dol op. De euforie toen ze Spotify ontdekte: ‘Alles staat erop! Alle muziek van mijn leven.’
Op het bankje in de tuin zegt ze: ‘Ik realiseerde me vanmorgen dat mijn man al dertig jaar dood is.’ Ze is even stil. ‘Ik ben al dertig jaar alleen. Mijn man was nog niet zo oud toen hij stierf en ik leef maar door, dan krijg je dat.’ Oud worden zit bij mevrouw Steur in de familie. Haar overgrootmoeder werd 100. ‘Dat haal ik ook nog wel.’
Dat weet ik zo net nog niet, als ik naar dat dunne nekje kijk. Ik zeg niets, maar ze ziet het in mijn blik.
‘Ja, ik weet het. Ik probeer aan te komen, want ik vind het niet mooi om zo mager te zijn. Al die losse huid.’ Ze houdt me haar arm voor en neemt de bleke huid tussen duim en wijsvinger. ‘Zie je? Om aan te komen krijg ik kleine vierkante gebakjes, die schijnen heel voedzaam te zijn.’
‘Bouwsteentjes.’
‘Bouwsteentjes, ja. En ik eet elke week een pot slagroom.’
Als we op het pad terug naar de ingang van het verpleeghuis lopen, vraagt ze: ‘Wanneer kom je weer? Binnen een week, ja?’ Ze kijkt me extra ernstig aan. ‘Het kan immers elk moment afgelopen zijn met mij.’
Source: Volkskrant