Hoe zit het met het lerend vermogen van de Inspectie van het Onderwijs? Minister Dennis Wiersma wil een grotere rol voor de inspectie. Dat ligt voor de hand: veel gaat niet goed in het onderwijs, vooral bij lezen, schrijven en rekenen. Jaar in, jaar uit publiceert de inspectie haar Staat van het Onderwijs met zorgelijke ‘signalen’ en deprimerende cijfers over het teruglopend niveau in lees- en rekenvaardigheid. Maar wat gebeurt er met die bevindingen? Hoe goed doet de waakhond zijn werk?
Daar kreeg ik afgelopen week een zorgelijk signaal over. Afgelopen donderdag was er een commissievergadering met onderwijswoordvoerders van de Tweede Kamer; inspecteur-generaal Alida Oppers was te gast. Kort daarvoor had zij gezegd dat ze vond dat elke eindexamenkandidaat in het voortgezet onderwijs een voldoende voor Nederlands moet halen. Nu haalt 20 procent van de geslaagde havo/vwo-leerlingen een onvoldoende voor het centraal examen Nederlands. Dat leidt meestal niet tot een onvoldoende eindcijfer, omdat de schoolexamens, afgenomen door de school, voor de helft meetellen; daarmee kan worden gecompenseerd.
Toch zei Alida Oppers in deze commissievergadering dat eenvijfde het voortgezet onderwijs verlaat met een onvoldoende voor Nederlands. Zou zij echt niet weten dat dit onzin is? Snapt ze niet hoe het eindexamen in elkaar zit? En dan nog, wat zegt een voldoende voor het centraal examen Nederlands over de werkelijke taalvaardigheid?
Over het nut van die voldoende en de kwaliteit van het centraal examen Nederlands is in de Volkskrant uitgebreid gediscussieerd. Ook ik schreef erover: dat het een waardeloos examen is dat aangeleerde trucjes toetst, maar niet of iemand een tekst begrijpt, erover nadenkt, verbanden legt, en erop kan reageren. Schrijfvaardigheid, volgens docenten in het vervolgonderwijs het grootste probleem bij studenten, wordt geëxamineerd in het schoolexamen, en daarop heeft de inspectie weinig zicht.
Paul van Meenen, woordvoerder onderwijs voor D66 in de Tweede Kamer, stelde aan Oppers de enige juiste vragen: kent de inspecteur-generaal de zorgen over het centraal examen Nederlands, dat veel toetst maar niet taalvaardigheid? Wat gaat ze eraan doen? Wat vindt ze zelf eigenlijk van de inhoud van dit examen?
Daar bleek de opperinspecteur helemaal niets van te vinden. Ze gaf simpelweg geen antwoord. Ze lepelde maar weer het verhaal op over gebrekkige basisvaardigheden van scholieren en dreigende laaggeletterdheid, dat iedereen allang kent. Vandaar die noodzaak van een voldoende, vond ze. Onthutsend.
Van Meenen hield aan: maar als die voldoende niets zegt over de taalvaardigheid, waarom dan die eis? Hij benadrukte dat de Tweede Kamer, met hem, vindt dat het centraal examen Nederlands snel moet verbeteren. Ook nu leek Oppers stokdoof. Ze verwees naar de schoolexamens, die wél schrijfvaardigheid toetsen, en naar nieuwe curricula. En, zei ze, waarom hebben we dit centraal examen als het niet toetst wat het moet toetsen? ‘Dat is precies wat ik vraag!’, riep Van Meenen, in toenemende wanhoop.
Het was een gênante vertoning. Ze illustreerde de praktijk: tekortkomingen en zorgelijkheden in het onderwijs aanwijzen lukt de inspectie nog wel, maar zodra het gaat om oplossingen, gaapt er een leegte. Dan begint het afschuiven van verantwoordelijkheid.
Vorige week nam Paul van Meenen afscheid; hij is de lijsttrekker van zijn partij in de Eerste Kamer. Ik zal hem missen, deze oud-leraar die altijd de kant van de leerlingen koos. Ik was het soms met hem oneens, maar de meest kritische vragen kwamen steevast van hem. Hij was het die onderwerpen als gratis kinderopvang, de rijke schooldag en latere selectie aankaartte. Ik hoop dat zijn opvolger Kiki Hagen net zo’n bevlogen talent is.
Source: Volkskrant