Story – vooral bekend als roddelblad over het wel en wee van de familie Hazes cum suis – was ooit ook een Nederlands automerk. In 1940 bracht de Internationale Automobiel Maatschappij in Den Haag onder die naam een kleine elektrische auto op de markt. De auto met een Utrechtse elektromotor haakte in op de benzineschaarste door de bezetting.
Story liep te ver op de muziek vooruit. En dat gebeurde veel Nederlandse autopioniers. Na 125 jaar dreigt er een einde te komen aan de Nederlandse auto-industrie die onder meer de Rolls Royce van het continent – de Spyker uit de jaren twintig – en de truttenschudder met jarretelaandrijving – het Dafje uit de jaren zestig – op zijn naam heeft staan. De fabriek in Born waar bijna zes miljoen auto’s van de band zijn gerold, zal zo goed als zeker volgend jaar sluiten. VDL, die tien jaar geleden nog manmoedig de boel redde, mag het requiem schrijven.
Pikant is dat het besluit voor het naderend onheil werd aangekondigd in de week dat DSM zijn hoofdkantoor naar Zwitserland verplaatste. In 1967 stond juist DSM aan de basis van de autofabriek in Born. De fabriek was bestemd om de pijn van het verlies aan werkgelegenheid door de mijnsluiting te verzachten, waarover toenmalig minister van Economische Zaken Joop den Uyl het doodvonnis had uitgesproken na de ontdekking van de aardgasvelden in Groningen.
Er werden zelfs twee vliegen in één klap geslagen. DAF in Eindhoven zocht op dat moment uitbreiding van de productie omdat iedereen dacht dat het pientere pookje de wereldmarkt zou veroveren. Het mocht niet zo zijn. Vijf jaar later had DAF al een partner nodig. Dat werd Volvo die op de DAF77 zijn eigen merknaam plakte. Later werden in Born Mitsubishi’s, Smarts en de Mini’s geproduceerd.
Landen als Frankrijk, Duitsland, Italië en zelfs de VS – daar redde de staat tijdens de kredietcrisis nog General Motors – zouden de totale teloorgang van de eigen auto-industrie niet hebben geaccepteerd. Maar in Nederland hebben de staat en autolobby nooit één front gevormd. Aan de pioniersgeest en innovatiekracht lag het niet. De gebroeders Spijker begonnen al in 1898 in Amsterdam met het produceren van auto’s. Dat was vier jaar eerder dan Ford, vijfendertig jaar eerder dan Volkswagen en achtendertig jaar eerder dan Toyota. De Spyker C4 vestigde in 1922 zelfs een 24-uurs snelheidsrecord met een gemiddelde van 119 kilometer per uur. Vier jaar later was de fabriek failliet.
Wikipedia meldt liefst vijftig historische Nederlandse autofabrikanten, waarvan overigens een deel niet veel verder is gekomen dan een handvol experimentele exemplaren. De gebroeders Van Doorne, die in het gat van de gebroeders Spijker sprongen, waren echter met hun DAF met automatische transmissie Variomatic hun tijd ook te ver vooruit.
Uiteindelijk brak gebrek aan marketingkracht de Nederlandse auto-industrie op. Het Dafje kreeg geen kans een hippe evenknie te worden van de Eend, Kever of Mini. Dat gold ook voor de Story. Verkeerde tijd, verkeerde plek.
Er werden enkele tientallen geproduceerd, totdat de bezetter de fabriek liquideerde. En zo is Nederland overgeleverd aan het buitenland.
Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen. Onlangs verscheen van zijn hand Het geheim van Beursplein 5, over de Amsterdamse beurs. Columns reflecteren niet per se de mening van de redactie.