Op het Museumplein werden zonnebloemen uitgedeeld; een sympathieke geste van het Van Goghmuseum, dat 50 jaar bestond. Ik houd veel van zonnebloemen, dus ik trok mijn vriendelijkste gezicht, en kreeg er drie. Niet slecht, maar naast mij kreeg een opgeschoten puber er vijf in zijn handen gedrukt.
Verontwaardiging maakte zich van mij meester. Wat moest zo’n joch met die bloemen? Er grinnikend de blaadjes aftrekken, zeker, lurkend aan een blikje ‘energy drink’? Nee, zo mocht ik niet denken. Ik moest blij zijn met mijn drie zonnebloemen. Ze waren heel wat mooier dan Van Gogh ze meestal schilderde; uitgebloeid, vaalgeel, en pafferig. Nou ja, hij zat natuurlijk met die kwellende ‘stem van de verschrikkelijke luciditeit’, in zijn hoofd, zoals hij zijn door absintmisbruik aangewakkerde waanzin noemde.
‘Het schijnt trouwens niet wáár te zijn, van dat oor’, zei een vrouw achter me tegen de man met wie ze gearmd liep. ‘Het was alleen de oorlel.’ Ze was een jaar of 60, en nogal dik, op een comfortabele, poesachtige wijze. ‘Ik dacht dat het juist wél zijn hele oor was’, zei de man. Ook hij was 60, met een aanzienlijke bos krullen boven een verweerd, maar kinderlijk gebleven gezicht.
De vrouw bekeek haar zonnebloemen. Vier stuks. ‘We moeten er eigenlijk nog eentje bij hebben’, zei ze. ‘Vier, dat is niet mooi.’ De man keek verwonderd. ‘Dat hóórt, Fred’, zei de vrouw. ‘Bloemen moeten oneven. Anders stáát het niet, in een vaas. He, ga jij er nou nog eentje bíj vragen... ik heb een steentje in mijn schoen’.
Ze liep een beetje hinkerig naar een bankje en ging zitten. Dat liegt ze natuurlijk, van dat steentje, dacht ik vilein, maar de vrouw trok wel degelijk haar sandaal uit en klopte hem uit. Daarna hief ze spinnend haar gezicht naar de zon, de bloemen op haar royale schoot.
Daar was de man alweer. Triomfantelijk toonde hij de vrouw twéé zonnebloemen. ‘Hè, Jezus, Fred’, zei ze. ‘Da’s wéér even! Nou, dan ga ík er nog wel eentje halen.’ Ze beende naar de kraam.
Hoe moest dit aflopen? Als ze er nu twee kreeg, zou ze er dan één teruggeven? Of zou ze, door hebzucht gedreven, die man nog eens terugsturen? En hoe lang kon dat doorgaan, voor ze door de mand vielen?
Thuis zette ik mijn drie zonnebloemen in een vaas. En ik zocht het op, van dat oor. Ze hadden allebei ongelijk. Het oor ging eraf, maar de oorlel zat er nog. Slordig. Was ik Van Gogh geweest, dan had ik die er ook nog even afgesneden. Maar ja, die absint, hè.
Source: Volkskrant