Home

Met een speciaal programma probeert deze school in Leiden hoogbegaafde kinderen binnenboord te houden: ‘Chinees snappen ze niet zomaar’

Dat Saar een sneller leertempo had dan de meeste van haar klasgenoten, werd voor het eerst goed zichtbaar in groep 3: ze had toen alle leeswerkjes tot en met groep 8 af. Haar juf bood haar extra opdrachten aan op de laptop, maar daarvoor moest ze wel in een apart lokaaltje zitten. Haar klasgenoten zag ze alleen nog in de pauze, tijdens het buitenspelen.

Haar ouders maakten zich zorgen en lieten een IQ-test afnemen. Met een score van 146 werd hun vermoeden bevestigd: Saar is hoogbegaafd. Omdat haar school hier niet de juiste expertise voor in huis had, schreven ze haar in op de Anne Frank-school in Leiden, een van de honderd basisscholen in Nederland waar voltijds onderwijs voor hoogbegaafden (kortweg: hb) wordt aangeboden.

De Anne Frank-school heeft hiervoor een aparte Nova-afdeling, bestaande uit vier klassen voor alleen hoogbegaafden en een afdeling voor hoogbegaafde thuiszitters. Verder is het een gewone school, waar ook reguliere leerlingen terechtkunnen.

Voor het eerst kreeg Saar (blonde haren, bruine ogen, sproetjes) opdrachten die ze niet in één keer snapte. ‘Dat was in het begin best lastig’, zegt ze. ‘Maar uiteindelijk was het de beste keuze om van school te wisselen, want sindsdien krijg ik werk dat ik nodig heb en de mensen begrijpen me veel beter.’ Grijnzend: ‘Op m’n oude school begrepen sommige kinderen m’n grapjes niet. Hier ligt iedereen in een deuk.’

Saar heeft geluk gehad. Ze is op tijd van school gewisseld en is daardoor niet in de knel gekomen, wat bij hoogbegaafde kinderen geregeld het geval is. De beeldvorming dat het allemaal wonderkinderen zijn, zoals de 12-jarige Vlaams-Nederlandse Laurent die onlangs na een jaar studie zijn masterdiploma fysica in Antwerpen behaalde, klopt niet. Sterker, een grote groep hoogbegaafden gaat niet naar school. Van de 15 duizend thuiszitters is vermoedelijk een aanzienlijk deel hoogbegaafd.

De redenen dat deze leerlingen uitvallen lopen uiteen: ze vervelen zich in de klas of voelen zich anders. Sommige kinderen vinden geen aansluiting bij hun klasgenoten of worden gepest. Het risico is dat ze gaan onderpresteren, wat kan leiden tot een ‘schooltrauma’. In het ergste geval komen ze thuis te zitten.

‘Ik krijg wanhopige ouders aan de telefoon’, zegt Karin Landman, algemeen directeur van de Anne Frank-school. ‘Ze zitten met hun handen in het haar, omdat hun kinderen doodongelukkig zijn en niet naar school willen.’ Hoogbegaafden worden volgens haar in het reguliere onderwijs vaak niet opgemerkt. Leraren hebben hun handen vol aan leerlingen die meer aandacht nodig hebben. ‘Het slimme kind wordt dan al snel vergeten. Die redt zichzelf wel, is de gedachte.’

Op dit moment zit de Nova-afdeling vol: er staan zeventig kinderen op de wachtlijst. Dat baart Landman zorgen, want ze weet: hoe langer het duurt voordat deze kinderen de juiste hulp krijgen aangeboden, hoe groter de kans dat ze uitvallen. Als dit eenmaal het geval is, kost het veel moeite om ze weer terug naar school te krijgen.

De Anne Frank-school begeleidt met haar Over de Grenzen-project acht van zulke uitvallers intensief. Daar zijn maar liefst vijf medewerkers bij betrokken: de directeur, een intern begeleider, een leerkracht, een pedagogisch medewerker en een orthopedagoog. De kinderen gaan een paar dagdelen per week naar school, sommigen vullen dit aan met dagbesteding op een zorgboerderij.

Op deze maandag zijn de kinderen in alle rust individueel aan het werk. De een is met zand aan het experimenteren, de ander maakt een tekening. Alle leeftijden zitten hier door elkaar. ‘Zorg staat bij deze groep voorop, dan pas volgt onderwijs’, zegt Gerritje Snip, de coördinator van de Nova-afdeling. ‘Alles is erop gericht om de kinderen genoeg bagage en vertrouwen te geven om weer een passende plek in het onderwijs te kunnen krijgen.’

Het Over de Grenzen-project is een uitzonderlijke afdeling binnen de school, maar verder trekken de reguliere en hb-leerlingen zo veel mogelijk gezamenlijk op. Ze spelen samen buiten en vieren samen feest. Toch gaat groep 8 wel apart op kamp, omdat de kinderen andere voorkeuren voor activiteiten hebben. Beide groepen voeren bovendien hun eigen musical op, omdat de hb-kinderen hun eigen tekst schrijven.

Wordt op deze manier geen elitaire subcategorie gecreëerd? ‘Nee’, zegt Snip resoluut. ‘De hb-kinderen bij ons op school vormen een afspiegeling van de maatschappij. Iedereen is welkom. Ze zijn niet beter, wel anders.’

Er is volgens Snip, die naast haar coördinerende taken één dag in de week lesgeeft aan groep 7-8, een wezenlijk verschil tussen slimme kinderen die prima kunnen meedraaien in het reguliere onderwijs en hb-kinderen. ‘Die laatste categorie heeft een grotere behoefte aan autonomie, structuur en rustmomenten.’ Voltijds hb-onderwijs is voor deze groep in haar optiek de beste optie. ‘Op jonge leeftijd zijn ze nog zo kwetsbaar. Als ze een veilige basisschooltijd hebben gehad, maakt dit ze weerbaarder.’

De Anne Frank-school zou graag willen uitbreiden, maar stuit op financiële barrières. De extra ondersteuning die voor deze kinderen nodig is, moet uit eigen middelen worden betaald. Dit komt doordat hb-onderwijs niet onder het speciaal onderwijs valt, waarvoor vanuit het Rijk extra geld beschikbaar is. Vorig jaar vielen negen hoogbegaafdheidsscholen om door geldtekort. Een deel van de andere scholen wordt overeind gehouden doordat ouders een grote eigen bijdrage betalen.

Inmiddels heeft het kabinet na een stevige lobby in Den Haag toegezegd om voor dit jaar 9,5 miljoen euro incidenteel geld beschikbaar te stellen voor voltijds hb-onderwijs en nog eens 14 miljoen structureel geld voor hoogbegaafdheidsonderwijs in het algemeen.

Het financieren van voltijds hb-onderwijs ligt gevoelig, omdat het afzonderen van hoogbegaafde kinderen indruist tegen de ambitie van de overheid om het onderwijs inclusiever te maken. De in 2014 ingevoerde wet voor passend onderwijs streeft ernaar om het regulier onderwijs zo in te richten dat er voor alle kinderen plek is, ongeacht hun ondersteuningsbehoefte.

Dit zou net zo goed moeten gelden voor hoogbegaafde kinderen, stelt bijzonder hoogleraar Lianne Hoogeveen (Radboud Universiteit), gespecialiseerd in talentontwikkeling en hoofdopleider van de Ritha, een postacademische opleiding die leraren opleidt in het signaleren en begeleiden van hoogbegaafde kinderen. ‘In mijn ideale wereld zijn leerkrachten in staat om te zien wat deze kinderen nodig hebben.’

Dat hoogbegaafde kinderen nu vaak worden ‘gelabeld’ op basis van een IQ vanaf 130 is volgens Hoogeveen onnodig en soms zelfs schadelijk. ‘Het zegt namelijk weinig over hun onderwijsbehoeften.’ Als er bovendien alleen onderwijsaanpassingen worden gedaan als leerlingen hoog scoren op een test, dan vergroot dat de kansenongelijkheid. ‘Kinderen van ouders die een duur IQ-onderzoek van minstens enkele honderden euro’s niet kunnen betalen, vallen buiten de boot.’

Om kinderen ‘met hoge capaciteiten’, zoals Hoogeveen hoogbegaafden liever noemt, net als andere leerlingen optimaal te kunnen laten ontwikkelen in het reguliere onderwijs, zouden leraren meer kennis in huis moeten hebben. Daarin is een belangrijke taak weggelegd voor de pabo’s, waar nu nog weinig aandacht wordt besteed aan hoogbegaafdheid. ‘Terwijl enkele simpele aanpassingen al kunnen helpen. Leraren kunnen bijvoorbeeld de ouders van nieuwe leerlingen vragen of hun kind al bezig is met letters en cijfers.’

Ouders met kinderen die een voorsprong hebben, zijn namelijk lang niet altijd zo mondig als vaak wordt gedacht. ‘Er zijn minstens zoveel ouders die denken: ik zeg het liever niet, uit angst om af te wijken of opschepperig over te komen.’

Voor de kinderen zelf is het niet altijd prettig om als hoogbegaafd bekend te staan, blijkt wel uit het verhaal van Liv (11), de beste vriendin van Saar. Ze is in groep 7 ingestroomd op de Anne Frank-school, nadat op haar oude school uit een IQ-test was gebleken dat ze hoogbegaafd is. Toen ze haar klasgenootjes hierover vertelde, begonnen zij opeens gemeen te doen. ‘Ze gingen turven als ik een foutje maakte en zeiden: waarom weet je dat niet, je bent toch hoogbegaafd? Ik werd daar heel onzeker van.’

Saar knikt begripvol. ‘Op deze school vindt niemand je raar, dat is echt fijn.’ Op de vraag of het nou eigenlijk leuk is om hoogbegaafd te zijn, blijft het even stil. ‘Leuk’ is een beetje een raar woord om het te omschrijven’, zegt Saar aarzelend. ‘Het is niet heel vervelend. Je bent het gewoon.’

In de visie van de Anne Frank-school zijn hb-kinderen niet zozeer slimmer, maar denken ze anders. De lesstof wordt hierop afgestemd. De kinderen werken zelfstandig aan hun zelf geformuleerde onderzoeksvragen en worden hierin begeleid door hb-gespecialiseerde docenten, die een coachende rol innemen. Kernvakken als rekenen en taal worden compact aangeboden en overbodige herhaling wordt geschrapt, zodat er meer tijd overblijft voor extra vakken als natuurkunde, techniek, programmeren, filosofie, schaken en Chinees.

In groep 3-4 nemen de leerlingen net afscheid van hun vakdocent Chinees. ‘Zǎoshàng hǎo!’, klinkt het in koor. De keuze voor Chinees is bewust, vertelt Snip. ‘Het is een klankentaal met een ander schrift, dus de leerlingen snappen het niet meteen. Ze komen in een soort frustratie terecht en hebben de hulp van een ander nodig.’

Dat is belangrijk, omdat hb-leerlingen de neiging hebben om niet goed op te letten als een docent iets uitlegt. Ze hebben de lesstof eerder al opgepikt en zijn du Source: Volkskrant

Previous

Next