In één week tijd ging ik twee keer af.
De eerste keer zat ik op de fiets en snerpte ik tegen mijn dochter (6) dat ze nu goddomme moest ophouden met kietelen, weg met die handen, hup, ik heb het nou tien keer gezegd, en keek ik precies op dat moment in het verbaasde gezicht van een vrouw die haar heg stond te snoeien. Het had bijzonder onaardig geklonken, dat hoorde ik zelf ook wel, zeker in de stilte van een dorp op zondag, maar het was me ontglipt, het onweer na een lange, broeierige dag waarop we toch maar even op de fiets waren gesprongen voor een rondje om, en het was waar, ik hád al negen keer gezegd dat ze moest ophouden met die kleffe handjes op mijn kleffe rug, maar ja, dat kon die heggevrouw niet weten.
Het tweede toneel was de dagelijkse heksenketel van de bed-bad-procedure en was het Marcels uitgever die ineens met een gloednieuw boek en een fles champagne de keuken kwam binnenwaaien. Dat mag zij, binnenwaaien, graag zelfs, maar liever niet op het moment dat ik net tegen mijn kinderen schreeuw of ze nou eens één keer op hun billen kunnen blijven zitten, jezus hee, wat is dit voor een circus, ik doe het niet meer hoor, voortaan eten jullie maar alleen, ik heb er geen zin meer in.
Het contrast was groot tussen haar en mij, mijn verhitte kop, haar gesoigneerde kantooroutfit, de geschrokken kinderen en die hele grote fles champagne tussen ons in, maar daar heb ik een trucje voor, ik draai in zulke situaties om als een blad aan een boom, tralala, nee hoor, in dit huis is niets aan de hand.
Nu zijn de meeste mensen niet gek, en dus kun je er redelijkerwijs van uitgaan dat de meeste mensen ook wel begrijpen dat er iets aan een uithaal voorafgaat – een slechte nacht, werk dat wacht, in dit geval Frida die me ’s middags al voor mijn kanis had geslagen met De rechtvaardigen van Jan Brokken, per ongeluk natuurlijk, maar het maakte de winkelhaak in mijn lip er niet minder om. Ook dan weten de meeste mensen nog steeds dat grenzen verkennen de corebusiness is van elk kind, dat ze onhandig zijn en rommel maken en dat dat voor conflicten zorgt waar ze prima tegen bestand zijn, en theoretisch hoefde ik me dus ook niet opgelaten te voelen. En anders zou je het altijd nog kunnen uitleggen, maar het punt is, je légt het niet uit, dat zou wat zijn ook, als je elke keer dat je uitvalt tegen je kind meteen een verklarend rondje doet – ja, ziet u, ik kan er niet zo goed tegen als ik vanaf 7 uur ’s ochtends alle kanten op wordt gecommandeerd door iemand van 2, en net trapte ze me in mijn milt omdat ze haar schoenen niet aan wil, vandaar dat ik haar net even uitschold voor rotkind, meen ik verder niet hoor.
Doe je niet.
Plus: ik herinner me hoe ik zélf naar ouders keek die hun geduld verloren.
Die moeder in de speeltuin met haar dreigementen, de snauwende vader in de buurtsuper. Zooo hee, dacht je moreel superieur met je roseetje in de zon, doe eens áárdig tegen dat kind. Toen wist je nog niet dat het ouderschap gelijkstaat aan een 98-urige werkweek, dat is tweeënhalve fulltimebaan, en dat de gemiddelde tijden van 6.25 uur tot 20.31 uur zijn, veertien uur per dag dus, óók in het weekend, zonder dat je er een stuiver voor krijgt, of zelfs maar een pauze.
Gister zag ik die heggevrouw weer, ik heb overdreven vriendelijk gezwaaid, gewoon, voor de zekerheid.