N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Graag wil ik je bedanken omdat je me in deze onzekere tijd herinnerde aan een oorlog van lang geleden en aan de mensen in Sarajevo die zich in de jaren dat de stad belegerd werd vaak eenzaam en door Europa in de steek gelaten voelden. Zo te zien is het met Oekraïne nu anders gesteld en bestaat er veel meer solidariteit, maar of de mensen in de bezette gebieden en in de steden die door luchtalarm en raketaanvallen worden opgeschrikt dat ook zo ervaren, kunnen ze alleen zelf zeggen. Waarschijnlijk kan Oksana Zabuzhko daar tijdens ons debat meer over vertellen.
Drago Jancar is schrijver. Hij publiceerde onder andere het boek Bij het ontstaan van de wereld (2023).
Nog geen jaar nadat Susan Sontag in Sarajevo het stuk Wachten op Godot regisseerde, was ik zelf in de belegerde stad, samen met drie andere schrijvers. We waren naar Sarajevo gegaan om aan onze collega’s die daar woonden en voortdurend vanuit de omringende heuvels werden beschoten, onze solidariteit te betuigen. Maar waar ze behalve onze sympathie vooral behoefte aan hadden, was financiële ondersteuning, en gehuld in kogelwerende vesten brachten wij hun het geld dat door PEN International was ingezameld om het leven voor de mensen in Bosnië iets draaglijker te maken.
En draaglijk waren de omstandigheden daar allerminst: toen het ’s winters in Sarajevo echt ijskoud werd en er geen elektriciteit en geen brandstof meer was, verstookte een schrijver uit Sarajevo zijn complete boekenverzameling, zodat hij en zijn gezin het enigszins warm konden hebben.
De vragen over beschaving en barbarij in Europa die Susan Sontag in Sarajevo formuleerde, stelden wij, vier schrijvers die met onze helmen en kogelwerende vesten een enigszins komisch aandoend reisgezelschap vormden, ons ook. Toen we met een militair transportvliegtuig aankwamen op het vliegveld van Sarajevo, dat was omgeven door diepe loopgraven, mitrailleursnesten en prikkeldraadversperringen, werden we verrast door de ironische naam die de vliegmaatschappij van VN-vredesmacht Unprofor had gekregen: Maybe Airlines. De Franse militairen van de vredesmacht hadden in de smalle corridor waardoor we behoedzaam het vliegveld verlieten een straatnaambordje uit Parijs opgehangen: Champs-Élysées.
Te midden van de tragiek van de mensen die door beschietingen en inslaande granaten omkwamen en in gebrekkige omstandigheden die aan hongersnood grensden, bleef de wil om te overleven ongebroken, iets wat de mensen opbrachten dankzij een dosis soms uiterst zwarte humor en in de verwachting dat Europa, als fakkeldrager van de beschaving, te hulp zou komen. Wachten op Godot? Onze taxichauffeur, die getraind was om behendig slingerend door de straten te rijden die vanaf de heuvels door scherpschutters werden bestookt, vertelde me dat hij overdag achter het stuur zat en ’s nachts met een geweer in de verdedigingslinie boven de stad lag. Daar wacht ik op mijn Godot, vertelde hij lachend.
Susan Sontag kwam uit New York naar Sarajevo, maar toch leek zij meer te begrijpen van de gecompliceerde verhouding tussen de culturele en maatschappelijke verworvenheden van Europa en de onvoorstelbaar gewelddadige uitbarstingen van nationalistische en ideologische waanzin in een roerige eeuw die in 1914 aanbrak toen uitgerekend in Sarajevo een paar fatale schoten vielen. Misschien begreep zij dat beter dan veel mensen in Europa zelf. En ik zie dat jij, Arnon, het ook goed begrijpt. Logisch, want jij bent schrijver, en het is onze taak om te spreken over goed en kwaad en over licht en duisternis, die net als beschaving en barbaarsheid niet alleen binnen een volk, maar vaak ook binnen een enkel individu naast elkaar bestaan. Maar ik vrees dat veel, zo niet de meeste Europeanen tot vooroordelen en simplificatie geneigd zijn.
In februari 1993 kreeg ik het verzoek om in Parijs deel te nemen aan een bijeenkomst waar „des ecrivains, des intellectuels, des politiques, des plasticiens, venus de toute l’Europe”, zoals het in de uitnodiging stond, met elkaar in debat zouden gaan. Er zou worden gesproken over de grote veranderingen die als gevolg van de ingrijpende politieke en maatschappelijke gebeurtenissen in Oost-Europa, zoals de val van de Berlijnse Muur, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en het uitbreken van de oorlog in Joegoslavië, in Europa hadden plaatsgevonden.
Toen ik in de zaal van het Palais de Chaillot aankwam zag ik voor de grote ramen, met op de achtergrond het silhouet van de Eiffeltoren, een enorm opschrift: Les tribus ou l’Europe? (Stammen of Europa?) Het was me meteen duidelijk dat ik voor de bijeenkomst uitgenodigd was als iemand die uit het deel van Europa kwam dat nog een stammensamenleving kende. Want de straatrevoluties en de daarop volgende economische en sociale ontwrichting van de communistische samenleving en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië, waar het tot gewelddadige nationalistische en deels ook religieuze conflicten kwam, konden volgens de organisatoren van de bijeenkomst slechts gezien worden als symptomen van een gevaarlijke ontwikkeling in de richting van een tribale, barbaarse samenleving.
Het was een simplificatie waar een Franse filosoof en een Poolse publicist al tijdens de eerste sessie protest tegen aantekenden. Desondanks werden er tijdens de daarop volgende debatten veel mooie woorden gesproken vol hoop op een verenigd en tolerant Europa waar solidariteit en mensenrechten hoog in het vaandel zouden staan.
Toch is dat opschrift in het Palais de Chaillot me altijd bijgebleven, en toen jaren later, aan het begin van een nieuwe eeuw en een nieuw millennium, met een ‘big bang’ de toenadering tussen de Oost-Europese landen tot – of liever gezegd hun aansluiting bij – die van West-Europa officieel werd bekrachtigd, zag ik het weer duidelijk voor me. Ik vraag me namelijk af of men in het Westen sindsdien beter begrijpt hoe de mensen in het Oosten eigenlijk geleefd hadden.
Wie jarenlang in een stad als Lyon of Gent heeft gewoond, heeft een andere levenservaring dan iemand uit Praag of Vilnius. Het leven in een communistische dictatuur, met alle bijbehorende verheven illusies van sociale gelijkheid, was heel anders dan dat in een kapitalistische parlementaire democratie, en in de hoofden van veel Europeanen staat de Berlijnse muur zelfs na dertig jaar nog recht overeind. Of zoals Czeslaw Milosz het in zijn boek Geboortegrond zo treffend formuleerde: „De rondwentelende appel Europa is heel klein geworden en kent geen witte plekken meer. Toch hoef je hier, in Europa, maar uit een van de oostelijke of noordelijke regionen te komen waar maar zelden iemand naar toe gaat, of je bent een nieuwkomer uit Septentrion, waarvan iedereen alleen weet dat het daar ijskoud is.”
Veel mensen in het Westen denken nog altijd dat ze de Oost-Europese samenlevingen met een vermanend opgeheven wijsvingertje moeten leren wat democratie en de rechtsstaat inhouden. In het Oosten zijn genoeg mensen die de illusie zagen vervliegen dat de bittere armoede waarin ze leefden met de toetreding van hun land tot de Europese Unie van de ene op de andere dag in een paradijselijke welvaart zou veranderen. Ze waren grootgebracht met de utopie van het communisme, die maar geen werkelijkheid wilde worden. Toen dat droombeeld uiteindelijk als een zeepbel uiteenspatte, aarzelden ze geen moment om het te verruilen voor een ander: Europa. Welvaart, democratie, het paradijs op aarde, het zou allemaal vanzelf komen.
Maar niets komt zomaar vanzelf. Zoals ik zelf een keer tijdens een debat zei: „We droomden van democratie, maar we ontwaakten in het kapitalisme”. En wel in een rauwe vorm, want overal in Europa was de samenleving in een moeizame transitieperiode beland van privatisering, groeiende sociale ongelijkheid en een toenemende invloed van de nouveaux riches, die overal – in de politiek, in de media en in het dagelijks leven – voelbaar was.
In Duitsland, een land dat jij, beste Arnon, blijkbaar goed kent en waarvoor je veel respect hebt, wordt iemand die in de DDR woonde nog altijd een Ossie genoemd, en dat klinkt in het algemeen minder positief dan Wessie, zoals iemand heet die uit de voormalige Duitse Bondsrepubliek komt. Ik denk dat het veel mensen zal verbazen dat jij de Duitsers zo goed gezind bent, vooral als zij zelf uit een deel van de wereld komen dat in de loop van de geschiedenis, om het maar zacht uit te drukken, slechte ervaringen met hen heeft gehad. Toch snap ik het ergens wel.
Misschien zijn het tegenwoordig vooral de Duitsers die de Europese gedachte zo goed aanvoelen. Wie wil zien wat Europa betekent, moet in Berlijn de musea van de twintigste eeuw bezoeken of in gesprek gaan met erudiete Duitsers die persoonlijk ervaring hebben met het leven in twee totalitaire staten en boven de grenzen van nationalistische en ideologische waanzin zijn uitgegroeid. Een goede beschrijving daarvan vinden we in de autobiografie van Heiner Müller, Krieg ohne Schlacht: Leben in zwei Diktaturen (1994).
Om een blik op de toekomst van Europa te kunnen werpen moeten we ook iets weten van het verleden. Want alleen als we weten wat democratie niet is, kunnen we goed begrijpen wat democratie wel is – of althans zou moeten zijn. De verhalen die wij vertellen en die met onze persoonlijke ervaringen zijn verbonden, kunnen daartoe een bijdrage leveren.
Een schrijver zou graag zien dat de mensen zich niet zozeer interesseren voor wat hij in het openbaar over maatschappelijke kwesties te zeggen heeft, maar meer voor wat hij schrijft. Maar soms is dat onmogelijk. Terwijl de oorlog in Joegoslavië aan de gang Source: NRC