Home

Na haar ervaringen bij Expeditie Robinson wil Marion Pauw weten: hoe verloopt het proces van uitsluiting in een groep?

Het is warm. Silhouetten van palmbomen steken af tegen het licht van de halfvolle maan, het ruisen van de zee en de krekels doen een wedstrijdje om het hardst. Ik bevind me op een van de onbewoonde tropische eilanden van eilandengroep Langkawi in Maleisië, een geliefde bestemming voor pasgetrouwden. Maar dit voelt als allesbehalve een huwelijksreis. Volledig doorgedraaid lig ik op het zand, omringd door zes mensen die tot een paar dagen geleden onbekenden voor me waren. De sarong waarop ik normaal slaap is ingepikt door iemand wiens eigen doek nat is geworden, al ontkent diegene dat nu keihard. Ik durf er niet tegenin te gaan. Mijn positie in de groep is al uiterst precair en ik weet zeker dat een confrontatie het alleen maar erger zal maken.

Ik voel me stikeenzaam en buitengesloten, maar ik ben ook boos. Vooral op mijzelf. Mijn werk is nota bene het uitplotten van moorden en zie mij hier rondlopen als een bang hondje. Ik, een volwassen vrouw die honderden zelfhulpboeken heeft gelezen en zelfs een basisopleiding haptonomie heeft gevolgd. Ik heb altijd gedacht dat ik sociaal redelijk kon meedraaien, maar zie mij nu: de pispaal. De underdog. Hoe heeft dit zover kunnen komen?

Vorig jaar deed ik mee aan Expeditie Robinson, een realityprogramma bij RTL 4 waarin min of meer bekende deelnemers op een tropisch eiland worden gedropt en daar moeten zien te overleven met weinig middelen. Zo moeten ze zelf hutten bouwen en vis vangen. Tijdens het spel worden wedstrijdjes gespeeld tegen andere teams waarna het verliezende team telkens een kandidaat moet wegstemmen. In deze geïsoleerde omgeving vol stressfactoren is groepsdynamiek prachtig zichtbaar. Verbondjes worden gesloten, samenwerkingen werpen hun vruchten af, maar er is ook sprake van alfa’s en underdogs, van uitsluiting, verraad en verlies. Het programma is één groot sociaal experiment en niet voor niets volg ik het al jaren.

Een tijdje na mijn terugkeer in Nederland, als ik het ergste heb verwerkt, doe ik wat schrijvers doen als hun iets rottigs overkomt: ik ga research doen naar groepsdynamiek en verwerk mijn nieuwe inzichten in een thriller. Wat ik wil weten is: hoe verloopt het proces van uitsluiting? Waarom overkomt dat de een, terwijl de ander moeiteloos zijn plek vindt in de groep? Vooral het boek Alles over pesten (2014) van socioloog en pedagoog Mieke van Stigt geeft inzicht. Daarin lees ik dat pesten en buitensluiten vooral voorkomt als er sprake is van hoge groepsdruk. Niet geheel verrassend scoort mijn Robinson-groep zeer hoog op alle ingrediënten: een horizontale groep waarin niemand duidelijk de leiding heeft, veel onzekere factoren, een hoge mate van stress, isolatie van de buitenwereld en een grote afhankelijkheid van elkaar. Wat er nog bij komt is dat het de bedoeling is om om de zoveel tijd iemand weg te stemmen. Ziedaar een situatie waarin het zelfs wenselijk is een zondebok te vinden.

Groepsdruk laat zich ook wel omschrijven als de druk die groepsleden ervaren om hun gedrag zodanig aan te passen dat het overeenkomt met het gedrag van de groep. Deze druk vertaalt zich in allerlei ongeschreven regels. Bijvoorbeeld: wij proberen elkaar altijd te helpen. Of: bij ons is het normaal om schuine moppen te tappen. Of: praten over emoties vinden wij gezeur. Grappig genoeg worden leden daarbij het meest beïnvloed door wat ze dénken dat de anderen denken. Het kan zomaar zo zijn dat de groepsleden individueel een ander verhaal vertellen dan wat ze in de groep laten zien. Roos Vonk, hoogleraar sociale psychologie, zegt: ‘We overschatten onze autonomie voortdurend en vergeten dat we sociale dieren zijn die op de sociale omgeving reageren. We conformeren ons continu aan elkaar om het gezellig te houden. Het is alleen wel de bedoeling dat dat onzichtbaar gebeurt. Want zodra mensen het gevoel hebben dat je niet jezelf bent, of te veel je best doet, vinden ze dat lelijk en strafbaar.’

Dag één op het eiland. We komen aan en alles is onduidelijk. De taken moeten worden verdeeld, de onderlinge verhoudingen uitgezocht en sommigen van ons hebben nog nooit eerder een voet in de natuur gezet. Ik merk meteen al dat ik nogal anders ben dan de anderen. Ze zijn allemaal jonger dan 34, een goed deel van hen ‘hangt’ met elkaar op Ibiza, heeft dezelfde vrienden of heeft met elkaar gewerkt. Niemand heeft mijn boeken gelezen en ze spreken allemaal een soort straattaal die ik niet helemaal begrijp. Ik voel meteen spanning. Hoe ga ik zorgen dat ik word geaccepteerd?

Zelf heb ik veel ervaring in tropische gebieden en ben ik redelijk handig. Ik heb dan ook het idee dat dit mijn kans is om me te onderscheiden. Ik begin meteen als een bezetene van alles tegelijkertijd te doen: ik sleep bamboestokken door het bos, ontrafel touwen, bouw een kampvuur en maak koekjes van het spaarzame meel dat we hebben gekregen. Daar gaat het al meteen fout. Van de zenuwen maak ik het deeg te nat en moet ik meer bloem gebruiken dan ik zou willen. Ook komt er wat zand in het deeg, omdat de pan vies is. Om mij heen gaat er ook van alles mis. Hutten storten in en dingen raken kwijt. Maar ik heb het idee dat mij alles zwaarder wordt aangerekend dan de anderen.

Misschien moet ik eerst terug naar 1980. Ik ben 6 jaar oud, net geëmigreerd uit Tasmanië en ga voor het eerst naar de basisschool in Leeuwarden. Ik spreek de taal niet en heb geen idee waar ik in terecht ben gekomen. Maaarion, met een lange á noemt de juffrouw mij, terwijl tot kort daarvoor mijn naam op zijn Engels werd uitgesproken. Ik haat het, maar durf er niets van te zeggen. Niet alleen ben ik mijn naam kwijt, maar ook het roodgeblokte schooluniformpje dat ik en al mijn klasgenoten droegen. Opeens wordt kleding een ding. Je moet bepaalde merken dragen en de afdankertjes van mijn nichtje die ik draag zijn stom. Sowieso zijn veel dingen stom aan mij: mijn door mijn moeder scheefgeknipte pony, hoe ik loop, hoe ik praat. Het is een kleine klas, waar een duidelijke rangorde heerst. Wat ik voel is doodsangst. Want ik wil niet onderaan staan. Daarvoor zal ik me moeten aanpassen, maar op de een of andere manier lukt me dat nooit.

Wat ik me herinner is ingewikkeld gedoe over wie met wie speelt, geheimen die worden doorverteld of worden gecreëerd om iemand anders buiten te sluiten. Ook zijn er vechtpartijen, word ik soms opgewacht na school. Maar ik zie ook mezelf zitten achter de bosjes. Wachtend. Op iemand die ik te grazen wil nemen?

Op volwassen leeftijd blijf ik hypergevoelig voor groepsdynamiek. Ik ben zeer alert op wat zich in een groep afspeelt, hoe de lijnen lopen en wat de emoties zijn. Ik pik signalen van afwijzing veel sneller op dan iemand die geen negatieve ervaringen heeft met groepen dat doet. Door die signalen word ik onzeker en ga ik gespannen gedrag vertonen. Dit is ook vaak de reden waarom mensen die gepest werden in een nieuwe omgeving hetzelfde lot treffen. Bovendien hebben mensen die gepest zijn vaak een negatieve innerlijke criticus ontwikkeld die vindt dat ze het verdienen om buitengesloten te worden. Dit lijkt op een selffulfilling prophecy: je hebt een verwachting, deze verwachting stuurt onbewust je gedrag en daardoor komt de verwachting uit.

Zwakte bij een groepslid kan volgens Mieke van Stigt ook voor de andere groepsleden bedreigend zijn. Via ons lichaam zenden we constant signalen uit van hoe we over dingen denken, hoe zelfverzekerd we zijn of hoe angstig. In een veilige groep roept zwakte empathie op en troost. In een groep die zelf wordt bedreigd, zoals mijn groep in de Expeditie, kan zwakte een reden zijn om iemand te verstoten.

Dag twee. De verhoudingen in de groep beginnen zich beter af te tekenen. Er is een soort kerngroep van vier ontstaan. Ze zoeken elkaar op, gaan samen vissen, bouwen hutten, liggen samen te zonnen en voeren rondom het kampvuur het hoogste woord. Ze noemen zichzelf ‘team gezellig’, maar dat geldt maar voor een deel van het team. Voor de anderen is het moeilijk om aansluiting te vinden. Ik merk steeds vaker dat wanneer ik iets zeg, dat in het luchtledige oplost. Misschien negeren ze me bewust. Of horen ze me echt niet.

In plaats van dat ik achterover leun en ga mediteren, begin ik nog meer mijn best te doen. In een complete overdrive ren ik rond met bananenbladthee. Ik lijk wel zo’n moeder die telkens je kamer komt stofzuigen wanneer je net met je vrienden aan het chillen bent. Ik ben me ervan bewust dat mijn gedrag tegen me werkt, maar het lukt me bijna niet om te stoppen.

Als iemand er niet bij hoort is de consensus van de groep vaak dat diegene het er zelf naar heeft gemaakt. Dat komt voor een deel doordat de normen van de groep meestal zodanig zijn geformuleerd dat ze in dienst staan van de sterksten. De (informele) leiders nemen zichzelf als uitgangspunt: om erbij te horen, moet je zijn zoals zij. Maar de oorzaak van het probleem ligt natuurlijk niet alleen maar bij het slachtoffer. Volgens Van Stigt is het zelfs andersom: ‘Ik zeg altijd: de hoge boom veroorzaakt de bliksem niet. Bliksem ontstaat omdat er te veel spanning is in het wolkengebied. Pesten begint met een groep waarin te veel spanning zit en daar wordt een slachtoffer bij gezocht. Vaak wordt dan een pestslachtoffer naar een weerbaarheidstraining gestuurd, terwijl in de pestende groep niet wordt ingegrepen. Dit is een bevestiging van het stigma: het lag inderdaad aan hem. Pesten los je op door een veilige groep te creëren waarin je samen leert problemen op te lossen, waarin je fouten mag maken en het weer goedmaakt. En daar is iedereen in de groep verantwoordelijk voor.’

Dag drie. We verliezen een proef. Dat verbaast me niets, want we werken voor geen m Source: Volkskrant

Previous

Next