En weer gaf een openluchtbibliotheekje gratis een van zijn schatten prijs: Dialoog met de natuur – Een weg naar een nieuw evenwicht (1995) van onze eigenste prinses Irene van Lippe-Biesterfeld. Het boekje, indertijd een bestseller, blijkt een demonstratie van ongebreidelde new-age-navelstaarderij, oftewel een zoektocht naar de ‘essentie van de kosmos’.
‘Als jong meisje wist ik met absolute zekerheid dat er zoiets als een groter verband bestond. Ik voelde het toen al als een centrale bron van kracht, van leven. Eigenlijk als een warme vriendschap die ik had met… ja met wát wist ik niet. Met iets liefs daar ergens tussen de sterren.’
Godsdienst is de opium van het volk, maar ook de adel heeft behoefte aan zingeving. Al is het prinsessenleven nog zo geprivilegieerd (‘Ik doorbrak de structuur van de dagindeling door met de zesde symfonie van Mahler in mijn oren door te schilderen tot vroeg in de ochtend’), het is toch niet áf zonder gesprekken met bomen, bloemen, dolfijnen en de zon. ‘De ontmoeting met de hele natuurwereld was zo hevig, dat ik als bij een verliefdheid, geen afstand kon scheppen tussen de boom en mijzelf.’
Ook met die dolfijnen is het contact innig, in de Stille Oceaan. ‘Dan heb ik op een vroege ochtend contact met één grotere, manlijke dolfijn. Ik heb hem daar onder water schaamteloos alles over mezelf verteld en om advies gevraagd. (…) het was alsof er een baan van energie naar me toe kwam. Daarna voelde ik me vrij, sensueel en behaaglijk.’ Alsof dat nog niet genoeg is, hebben de dolfijnen de volgende dag een toegift: ‘Deze dag zeggen de dolfijnen: ‘Shit it out!’ en doen het mij voor door in mijn gezicht uitbundig te poepen en te plassen.’ Wat spiritueel van die dolfijnen, en wat knap dat ze Engels spreken!
In het voorwoord, van Erik ‘soldaat van Oranje’ Hazelhoff Roelfzema, laat de oude ijzervreter en Engelandvaarder enig dédain doorschemeren jegens Irenes ‘filosofie die intiem contact met de natuur als uitgangspunt ziet’, maar vergoelijkt het werkje toch met een toegeeflijk ‘Hebben scholen dolfijnen in Hawaii niet ook mij als speelmakker in hun midden ontvangen?’.
Dan volgt er een nogal pretentieus, als ‘prelude’ aangeduid versje van Herman ‘Hilversum 3 bestond nog niet’ van Veen (‘want hoe kun je een boom nog omhakken/ als je weet dat hij een ziel heeft?/ Hoe kun je…’ et cetera).
Pikant, want indertijd waren er hardnekkige geruchten over een verhouding tussen de prinses en onze kale troubadour. Die zouden later bevestigd worden door Edwin de Roy van Zuydewijn, Irenes (even later gewezen) schoonzoon, die er de scabreuze details aan toevoegde die nog steeds op het netvlies van mijn geestesoog staan gebrand, en bovendien mededeelde dat Irene een ‘nymfomane’ zou zijn die op vakantie in Porto Ercole naakt in haar auto rondreed.
Jeetje! Hoewel, je zou dat naakt rondrijden ook kunnen zien als ‘één worden met de natuur’. Zoals Willem Kloos zei: ‘Ik hou van de natuur, maar ik moet er iets te drinken bij hebben.’ Dan moet een auto toch ook door de beugel kunnen?
‘Toen ik naar huis vloog en door het vliegtuigraampje naar het laatste licht van een lange dag keek, zag en voelde ik de enorme liefdesenergie die als een laag net boven onze aarde hangt.’ ‘Liefdesenergie’? Dat was waarschijnlijk gewoon de opwarming van de aarde. En hoe zat het eigenlijk met de arbovoorwaarden van die dolfijnen?
Irene besluit met de woorden: ‘Ik stel me open voor de zon die vanachter een reusachtige donkergrijze wolk tevoorschijn komt en zegt: ‘Het is goed. Laat het boek nu los.’’
Dat heb ik toen maar gedaan.